Job
Oude Testament · 42 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)
Inleiding
Dit boek heeft zijn naam van de heilige Job, wiens zeer gedenkwaardige geschiedenis, over zijn zware beproeving, onoverwinnelijke standvastigheid en zeer gewenste afloop, daarin beschreven is. Wij noemen het een geschiedenis, omdat het een waarachtig verhaal bevat van wat er gebeurd is, en niet een zedelijk vertoog of een dichterlijk verzinsel van wat er gebeuren kan. Dat blijkt uit de namen van de personen, volken en landen die erin genoemd worden, maar in het bijzonder uit de getuigenissen van de profeet Ezechiël en de apostel Jakobus, Ezech. hoofdstuk 14:14 en Jak. hoofdstuk 5:11, die over Job spreken als over een waardig persoon, die zo in de wereld geleefd had dat hij God zeer aangenaam en de mensen een voorbeeld van deugd geworden was. Velen menen dat hij geleefd heeft in de tijd van de aartsvaders, of toen de kinderen van Israël in Egypte woonden, of toen zij daaruit getrokken waren en door de woestijn naar het beloofde land reisden, en wel onder leiding van Mozes, die sommigen voor de schrijver van dit boek houden. Aangezien zijn geschiedenis hier begint met de godsvrucht van zijn persoon en de gelukkige welstand van zijn huisgezin en zijn kinderen, volgt daarop een droevig verhaal dat het veelvoudige lijden beschrijft dat, door het aandrijven van de satan en de heilige toelating en besturing van God, onverwacht over hem gekomen is in zijn bezit, zijn kinderen en zijn lichaam, tot beschimping door zijn vrouw toe. Hier heeft zijn standvastigheid zich tegen de last van de verschrikkelijke ellende zeer wonderbaarlijk opgericht, als een palmboom. Toen hij in zo'n toestand verkeerde, kwamen drie vrienden van groot aanzien hem bezoeken om hem te beklagen en te troosten. In het begin hebben zij gezwegen, als verslagen en verbijsterd door de grootheid van zijn ramp en de bitterheid van het verdriet dat hij daarover had. Maar toen Job door de zwakheid van het vlees in grote klachten uitbarstte, zelfs tot het vervloeken van de dag van zijn geboorte, raken zij met hem in gesprek. Zij berispen hem om zijn ongeduld; en omdat zij hem wijzen op Gods gerechtigheid, waardoor hij de slechten straft, raken zij in een hoog en heftig dispuut verwikkeld. De drie vrienden beschuldigen Job van huichelarij of goddeloosheid, en bouwen hun redenering enerzijds op de afgrijselijke straffen die zij bij Job zagen, anderzijds op enkele ongeduldige en opvliegende uitlatingen die zij van hem hoorden. Zij houden er sterk aan vast dat God alleen de goddelozen straft en de vromen zegent. Omdat Job dus op het hoogst getroffen was, uitgesloten van het bezit en genot van alle zegen en neergestort in een diepe afgrond van gruwelijke plagen, die hem door menselijke zwakheid en door het zeer bittere tergen van de vrienden soms heftig deden uitvaren, hielden zij er gezamenlijk aan vast dat Job òf een goddeloos mens, òf een gemene huichelaar moest zijn. Zij brengen wel heerlijke spreuken naar voren, maar die zij ten onrechte op de persoon van Job toepasten. Maar Job verdedigt zich, en verklaart naar zijn geweten zijn onschuld, wijzend op zijn vroegere leven. Het bewijs of het fundament van zijn vrienden weerlegt hij door de algemene ervaring, die getuigt dat God hier de vromen meestal met zware straffen beproeft, terwijl hij de goddelozen hier vaak uiterlijk zegent, en hun veel minder altijd straffen toezendt. Zozeer houdt hij vast aan de onbedrieglijke overtuiging van zijn geweten, hem door de Heilige Geest zeer diep ingeprent, die hem verzekerde dat hij geen slecht mens was en het ook nooit geweest was. Hij geeft wel toe dat hij voor de goddelijke majesteit niet kon standhouden, niet alleen vanwege Gods absolute macht, omdat hij niets dan een arm schepsel was, maar ook vanwege zijn rechtvaardig oordeel, omdat hij zich een arme zondaar wist; maar toch wenste hij, wat het geschil betrof dat hij met zijn vrienden uitvocht, in zijn gericht geoordeeld te mogen worden. Zo vast was hij zich in zijn hart bewust van zijn ongeveinsde vroomheid. Ondertussen kan men niet ontkennen dat hij, getergd door de onbeschaafde en ongepaste verwijten van zijn vrienden, soms niet met zo'n eerbied over God, over zijn bestuur en zijn oordelen gesproken heeft als wel betaamde. In het verdedigen van zijn zaak is hij niet voor zijn vrienden geweken; maar toen zij ophielden hem te antwoorden, is Elihu in hun plaats gekomen, die Job op een andere manier tegenspreekt dan zijn vrienden gedaan hadden. Hij beschuldigt eigenlijk niet Jobs vroegere leven, maar enkele uitlatingen die hij in het gesprek met zijn vrienden gebruikt had. Uit Jobs verdediging scheen het dat God hem onrecht deed door hem zo hard te straffen en de redenen daarvan voor hem verborgen te houden. Daarom vermaant Elihu hem tot ootmoed en berouw, omdat God goedertieren is voor de ellendigen die op hem vertrouwen. Hij toont Job aan dat God in het straffen niemand onrecht doet, en aan niemand rekenschap van zijn doen verschuldigd is; en tegen Jobs vrienden, dat God niet alleen de goddelozen, maar ook de vromen straft en mag straffen. Zijn bewijs ontleent hij aan Gods natuur, die volkomen wijs, machtig en rechtvaardig is, en aan zijn majesteit, waardoor hij het hoogste gezag heeft over alle schepselen, wat niet anders kan dan met zijn natuur overeenkomen. Job geeft aan deze vermaning toe en zwijgt. Ondertussen openbaart de HEERE zich in een onweer en bestraft Job, omdat hij onbedacht over hem gesproken had, en bewijst dit zowel door zijn goddelijke eigenschappen als door zijn werken, die enerzijds het hele bestuur van de wereld in het algemeen betreffen, anderzijds de schepping en onderhouding van enkele wonderbare en grote schepselen in het bijzonder. Na deze toespraak belijdt Job zijn zonde, geeft Gods gerechtigheid de eer en toont zijn hartelijke boetvaardigheid. God beschuldigt Jobs drie vrienden en beveelt dat zij door Jobs gebed met hem verzoend worden, en herstelt Job in zijn vroegere welstand, die hij met zegen verdubbelt. Hoe lang deze beproeving van Job geduurd heeft, is onzeker. De Hebreeën menen ongeveer een jaar. Sommigen nemen een kortere, anderen een langere tijd aan. Wat God ons niet met zekerheid geopenbaard heeft, is niet nodig met zekerheid te weten.