BijbelJob

Job 1

Lees Job 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Job is oprecht vroom, vers 1. Gezegend door God met kinderen, rijkdom en eer, 2. Hij wordt door het aandringen van de satan, 6. en de toelating van God, 12. tot zijn beproeving bezocht met het verlies van al zijn goed, 13. en zijn kinderen, 18. waarover hij tekenen geeft van droefheid, zich troost en God voor alles dankt, 20.

1Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelfde man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.

2En hem werden zeven zonen en drie dochters geboren.

3Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kamelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.

4En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden heen, en nodigden hun drie zussen, om met hen te eten en te drinken.

5Het gebeurde dan, als de dagen van de maaltijden omgegaan waren, dat Job hen liet halen, en hen heiligde en 's morgens vroeg opstond, en brandoffers offerde naar hun aller getal; want Job zei: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Zo deed Job al die dagen.

6Er was nu een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor JAHWEH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.

7Toen zei JAHWEH tot de satan: Vanwaar komt u? En de satan antwoordde JAHWEH, en zei: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.

8En JAHWEH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde zoals hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.

9Toen antwoordde de satan JAHWEH, en zei: Is het om niet, dat Job God vreest?

10Hebt U niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk van zijn handen hebt U gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in het land.

11Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?

12En JAHWEH zei tot de satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht van JAHWEH.

13Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochters aten, en wijn dronken in het huis van hun broer, de eerstgeborene.

14Dat een bode tot Job kwam, en zei: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.

15Maar de Sabeërs deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

16Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Het vuur Gods viel uit de hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

17Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: De Chaldeeën stelden drie hopen, en vielen op de kamelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte van het zwaard; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

18Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zei: Uw zonen en uw dochters aten, en dronken wijn, in het huis van hun broer, de eerstgeborene;

19En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stootte aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongemannen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neer;

21En hij zei: Naakt ben ik uit mijn moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarheen terugkeren. JAHWEH heeft gegeven, en JAHWEH heeft genomen; de Naam van JAHWEH zij geloofd!

22In dit alles zondigde Job niet, en schreef aan God niets ongerijmds toe.