Job 10
Lees Job 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Job vernieuwt zijn klachten en keert zich tot God, vers 1 enz. Verhaalt enkele punten waarover hij zich beklaagt, 3. gebruikt redenen om zijn zware straffen af te bidden, 9. verklaart dat zijn plagen onvermijdelijk waren, 13. groot, 16. en velerlei, 17. hij wenst niet geboren te zijn, 18. maar nu wat verkwikt te worden voordat de dood hem overkomt, 20. die hij beschrijft, vers 22.
1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid van mijn ziel.
2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover U met mij twist.
3Is het U goed, dat U verdrukt, dat U verwerpt de arbeid van Uw handen, en over de raad van de goddelozen schijnsel geeft?
4Hebt U vleselijke ogen, ziet U, zoals een mens ziet?
5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen van een man?
6Dat U onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; toch is er niemand, die uit Uw hand verlosse.
8Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, samen rondom mij zijn zij, en U verslindt mij.
9Gedenk toch, dat U mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen terugkeren.
10Hebt U mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen?
11Met huid en vlees hebt U mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt U mij samengevlochten;
12Naast het leven hebt U goedertierenheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard.
13Maar deze dingen hebt U verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.
14Als ik zondig, zo zult U mij waarnemen, en van mijn misdaad zult U mij niet onschuldig houden.
15Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben verzadigd van schande, maar aanzie mijn ellende.
16Want zij verheft zich; zoals een felle leeuw jaagt U mij; U keert weer en stelt U wonderlijk tegen mij.
17U vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een leger, zijn tegen mij.
18En waarom hebt U mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik de geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!
19Ik zou zijn, alsof ik niet geweest was; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest.
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik wat op adem kom;
21Voordat ik heenga (en niet wederkom) in een land van de duisternis en van de schaduw van de dood;
22Een stikdonker land, als de duisternis zelf, de schaduw van de dood, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.