BijbelJob

Job 13

Lees Job 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Job bevestigt wat hij verhaald had met zijn eigen ervaring, vers 1. beschuldigt zijn vrienden van hun overtredingen ten aanzien van dit geschil, 2. verlangt dat zij zwijgen, 13. verklaart zijn goede geweten en vertrouwen op God, 14. vraagt twee dingen van God, 20. stort voor Hem zijn klachten uit, 23.

1Zie, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.

2Zoals u het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.

3Maar ik zal tot de Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

4Want zeker, u bent leugenstoffeerders; u allen bent nietige dokters.

5Och, of u geheel stilzweegt! Dat zou u voor wijsheid wezen.

6Hoor toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen van mijn lippen.

7Zult u voor God onrecht spreken, en zult u voor Hem bedriegerij spreken?

8Zult u Zijn aangezicht aannemen? Zult u voor God twisten?

9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult u met Hem spotten, zoals men met een mens spot?

10Hij zal u zeker bestraffen, zo u in het verborgene het aangezicht aanneemt.

11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vrees over u vallen?

12Uw gedachtenissen zijn als as, uw hoogten als hoogten van leem.

13Houd stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.

14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?

15Zie, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

16Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen.

17Hoor ijverig mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.

18Zie nu, ik heb het recht ordelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.

19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik de geest geven.

20Alleen doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.

21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

23Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend.

24Waarom verbergt U Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

25Zult U een gedreven blad verbrijzelen, en zult U een droge stoppel vervolgen?

26Want U schrijft tegen mij bittere dingen; en U doet mij erven de misdaden van mijn jeugd.

27U legt ook mijn voeten in de stok, en neemt waar al mijn paden; U drukt U in de wortels van mijn voeten,

28En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet.