BijbelJob

Job 14

Lees Job 14 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Job, zoekend bij God enige verlichting van zijn plagen te vinden, beschrijft de algemene ellende van het menselijk leven, vers 1 enz. bidt om voor een tijd van zijn lijden ontslagen te worden, 13. beklaagt zich over Gods strengheid tegen de mens, die Hij gebruikt tegen zijn eigen persoon, 16. ook tegen anderen en hun nakomelingen, 21.

1De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en verzadigd van onrust.

2Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet.

3Nog doet U Uw ogen over zulk een open; en U betrekt mij in het gericht met U.

4Wie zal een reine geven uit de onreine? Niet één.

5Omdat zijn dagen bestemd zijn, het getal van zijn maanden bij U is, en U zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;

6Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een dagloner aan zijn dag een welgevallen hebbe.

7Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden.

8Als zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft;

9Hij zal van de reuk van de wateren weer uitspruiten, en zal een tak maken, zoals een plant.

10Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft de geest, waar is hij dan?

11De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;

12Zo ligt de mens neer, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.

13Och, of U mij in het graf wegborg, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat U mij een bepaling stelde, en aan mij gedachtig was!

14Als een man gestorven is, zal hij weer leven? Ik zou al de dagen van mijn strijd hopen, totdat mijn verandering komen zou.

15Dat U zou roepen, en ik U zou antwoorden, dat U tot het werk van Uw handen zou begerig zijn.

16Maar nu telt U mijn treden; U bewaart mij niet vanwege mijn zonden.

17Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en U pakt mijn ongerechtigheid opeen.

18En werkelijk, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;

19De wateren vermalen de stenen, het stof van de aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; zo verderft U de verwachting van de mensen.

20U overweldigt hem in eeuwigheid, en hij gaat heen; veranderende zijn gezicht, zo zendt U hem weg.

21Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.

22Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.