BijbelJob

Job 15

Lees Job 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Elifaz beschuldigt Job van ijdelheid, vers 1 enz. van goddeloosheid, 4. van vermetelheid in zijn woorden, 7. tegen zijn vrienden, 9. ja tegen God zelf, 11. omdat hij zijn eigen gerechtigheid wilde verdedigen, 14. hij bewijst tegen Job, uit de ervaring en de getuigenissen van de wijze voorvaderen, 17. dat God de goddelozen straft, 20. om hun boosheid, 25. waarin zij vergaan, 29.

1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zei:

2Zal een wijs man holle wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?

3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, waarmee hij geen voordeel doet?

4Ja, u vernietigt de vrees, en neemt het gebed voor het aangezicht van God weg.

5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en u hebt de tong van de sluwen gekozen.

6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.

7Bent u de eerste een mens geboren? Of bent u voor de heuvelen voortgebracht?

8Hebt u de verborgen raad van God gehoord, en hebt u de wijsheid naar u getrokken?

9Wat weet u, dat wij niet weten? Wat verstaat u, dat bij ons niet is?

10Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.

11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?

12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?

13Dat u uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

14Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?

15Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen.

16Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?

17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en wat ik gezien heb, dat zal ik vertellen;

18Dat de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaders niet verborgen heeft;

19Die alleen het land gegeven was, en door wier midden niemand vreemds doorging.

20Te alle dage doet de goddeloze zichzelf smart aan; en weinig jaren in getal zijn voor de tiran weggelegd.

21Het geluid van de verschrikkingen is in zijn oren; in de vrede zelf komt de verwoester hem over.

22Hij gelooft niet uit de duisternis weer te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde.

23Hij zwerft heen en weer om brood, waar het zijn mag; hij weet, dat bij zijn hand gereed is de dag van de duisternis.

24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, zoals een koning, bereid ten strijde.

25Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen de Almachtige stelt hij zich geweldig aan.

26Hij loopt tegen Hem aan met de hals, met zijn dikke, hoog verhevene schilden;

27Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om de weekdarmen;

28En heeft bewoond vernietigde steden, en huizen, die men niet bewoonde, die gereed waren tot steenhopen te worden.

29Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.

30Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas van zijn mond.

31Hij betrouwe niet op zinloosheid, waardoor hij verleid wordt; want zinloosheid zal zijn vergelding wezen.

32Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen.

33Men zal zijn onrijpe druiven afrukken, als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen, als van een olijfboom.

34Want de vergadering van de huichelaren wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten van de geschenken.

35Zij ontvangen moeite, en baren zinloosheid, en hun buik richt bedrog aan.