Job 19
Lees Job 19 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Job beschuldigt zijn vrienden dat zij onbeleefd en onbarmhartig tegen hem waren, vers 1 enz. en geen acht sloegen op zijn lijden, 6. waarin hij verlaten scheen te zijn, 7. hij beschrijft de grootheid en verscheidenheid van zijn lijden, 8. vermaant zijn vrienden tot medelijden met hem, 21. wenst dat zijn lijden en de woorden die hij daarin sprak, eeuwig gedacht zouden worden, 23. hij troost zich met zijn Verlosser en de opstanding van het vlees, 25. vermaant zijn vrienden tot hun schuldige plicht, 28.
1Maar Job antwoordde en zei:
2Hoe lang zult u mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
3U hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; u schaamt u niet, u verhardt u tegen mij.
4Maar ook het zij werkelijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij overnachten.
5Als u werkelijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
6Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.
7Zie, ik roep, geweld! maar word niet verhoord; ik schreeuw, maar er is geen recht.
8Hij heeft mijn weg versperd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.
9Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon van mijn hoofd heeft Hij weggenomen.
10Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik heenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.
11Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.
12Zijn benden zijn samen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.
13Mijn broers heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zeker, zij zijn van mij vervreemd.
14Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.
15Mijn huisgenoten en mijn dienaressen achten mij voor een vreemde; een buitenlander ben ik in hun ogen.
16Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.
17Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek omwille van de kinderen van mijn buik.
18Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.
19Alle mensen van mijn vertrouwelijke raad hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.
20Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid van mijn tanden.
21Ontferm u over mij, ontfermt u over mij, o u, mijn vrienden! want de hand van God heeft mij aangeraakt.
22Waarom vervolgt u mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees?
23Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven werden. Och, of zij in een boek ook werden ingetekend!
24Dat zij met een ijzeren griffel en lood voor eeuwig in een rots gehouwen werden!
25Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan;
26En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;
27Die ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.
28Werkelijk, u zou zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Aangezien de wortel van de zaak in mij gevonden wordt.
29Schroomt u vanwege het zwaard; want de woede is over de misdaden van het zwaard; opdat u weet, dat er een gericht zij.