Job 2
Lees Job 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De satan vraagt aan God of het hem toegestaan mag worden Job aan zijn eigen lichaam te plagen, vers 1 enz. Dat wordt hem onder een bepaalde voorwaarde toegestaan, 6. De satan slaat Job met boze zweren, 7. ook beschimpt zijn vrouw hem, die hij daarover berispt, 9. als drie van zijn vrienden bij hem gekomen zijn, bedroeven zij zich met hem, maar zwijgen een tijd lang stil, 11.
1Opnieuw was er een dag, als de kinderen van God kwamen, om zich voor JAHWEH te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor JAHWEH te stellen.
2Toen zei JAHWEH tot de satan: Vanwaar komt u? En de satan antwoordde JAHWEH, en zei: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.
3En JAHWEH zei tot de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde zoals hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel u Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.
4Toen antwoordde de satan JAHWEH, en zei: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.
5Maar strek nu Uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen!
6En JAHWEH zei tot de satan: Zie, hij zij in uw hand, maar spaar zijn leven.
7Toen ging de satan uit van het aangezicht van JAHWEH, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.
8En hij nam zich een potscherf, om zich daarmee te schrabben, en hij zat neer in het midden van de as.
9Toen zei zijn huisvrouw tot hem: Houdt u nog vast aan uw oprechtheid? Zegen God, en sterf.
10Maar hij zei tot haar: U spreekt als één van de zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.
11Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te troosten.
12En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en huilden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar de hemel.
13Zo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was.