BijbelJob

Job 21

Lees Job 21 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Job verzoekt gehoor van zijn vrienden, vers 1 enz. geeft de reden waarom zijn geest ontsteld is, 4. toont dat de goddelozen meestal gelukkig zijn in de wereld, 7. hoewel zij God lasteren, 14. hij verafschuwt hen, 16. toch worden zij hier zelden gestraft, 17. God is rechtvaardig, hoewel Hij ongelijk met de mensen handelt, 22. Job komt de kwade oordelen van zijn vrienden voor, die zij hadden over zijn kinderen, 27. bewijst dat de goddelozen hier meestal tot het einde van hun leven toe van alle straf vrij zijn, 29. hij verwerpt de vertroostingen van zijn vrienden, 34.

1Maar Job antwoordde en zei:

2Hoor aandachtig mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.

3Verdraag mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.

4Is (wat mij betreft) mijn klacht tot de mens? Maar of het zo was, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

5Zie mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op de mond.

6Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een huivering gevat.

7Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?

8Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.

9Hun huizen hebben vrede zonder vrees, en de roede Gods is op hen niet.

10Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.

11Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.

12Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid van de orgel.

13In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.

14Toch zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust.

15Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?

16Maar zie, hun goed is niet in hun hand; de raad van de goddelozen is ver van mij.

17Hoe dikwijls gebeurt het, dat de lamp van de goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!

18Dat zij als stro worden voor de wind, en als kaf, dat de wervelwind wegsteelt;

19Dat God Zijn geweld weglegt voor Zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het bemerkt;

20Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de woede van de Almachtige!

21Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal van zijn maanden afgesneden is?

22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?

23Deze sterft in de kracht van zijn volkomenheid, daar hij geheel stil en gerust was;

24Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg van zijn benen was bevochtigd.

25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.

26Zij liggen samen neer in het stof, en het gewormte overdekt ze.

27Zie, ik weet uw gedachten, en de boze verdichtselen, waarmee u tegen mij geweld doet.

28Want u zult zeggen: Waar is het huis van de prins, en waar is de tent van de woningen van de goddelozen?

29Hebt u niet gevraagd de voorbijgaanden op de weg, en kent u hun tekenen niet?

30Dat de boze onttrokken wordt op de dag van het verderf; dat zij op de dag van de uitbarstingen van toorn ontvoerd worden.

31Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?

32Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is steeds in de aardhoop.

33De kluiten van het dal zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en van degenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.

34Hoe vertroost u mij dan met zinloosheid, omdat in uw antwoorden overtreding overig is?