Job 31
Lees Job 31 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Job bewijst zijn onschuld, ernstig zijn daden tonend: dat hij kuis was geweest ten aanzien van de maagden, vers 1 enz. rechtvaardig in overeenkomsten, 5. kuis tegenover andere vrouwen, 9. rechtvaardig tegenover zijn dienstvolk, 13. weldadig tegenover de armen, 16. onschuldig tegenover de wezen, 21. niet steunend op zijn rijkdom, 24. geen afgodendienaar, 26. zich niet verblijdend in het ongeluk van zijn vijand, 29. noch hem vervloekend, 30. gastvrij, 31. waarachtig en oprecht in het bekennen van zijn gebreken, 33. niemand onrecht doend, 34. wensend dat van zijn spreken en doen kennis genomen werd, 35. hij verhaalt ook zijn oprechte handelwijze, 38. begeert het slecht te vergaan als hij de waarheid niet spreekt, 40.
1Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
2Want wat is het deel Gods van boven, of de erfenis van de Almachtige uit de hoogten?
3Is niet het verderf voor de verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers van de ongerechtigheid?
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
5Zo ik met zinloosheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
6Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtheid weten.
7Zo mijn gang uit de weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;
8Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!
9Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan de deur van mijn naaste geloerd heb;
10Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!
11Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.
12Want dat is een vuur, dat tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.
13Zo ik versmaad heb het recht van mijn knecht, of van mijn dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij;
14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
15Heeft Hij niet, Die mij in de buik maakte, hem ook gemaakt en Één ons in de baarmoeder bereid?)
16Zo ik de armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen van de weduwe laten versmachten;
17En mijn brood alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft;
18(Want van mijn jeugd af is hij bij mij opgetogen, als bij een vader, en van mijn moeders buik af heb ik haar geleid;)
19Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de arme geen deksel had;
20Zo zijn middel mij niet gezegend heeft, toen hij van de vellen van mijn lammeren verwarmd werd;
21Zo ik mijn hand tegen de wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag;
22Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!
23Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.
24Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: U bent mijn vertrouwen;
25Zo ik blij ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;
26Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;
27En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
28Dat was ook een misdaad bij de rechter; want ik zou de God van boven verzaakt hebben.
29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking van mijn hater, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;
30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).
31Zo de mensen van mijn tent niet hebben gezegd: Och, of wij van zijn vlees hadden, wij zouden niet verzadigd worden;
32De vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijn deuren opende ik naar de weg;
33Zo ik, zoals Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende!
34Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldig onderdrukt hebben; maar de verachtste van de huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gezwegen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn.
35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenstander een boek schrijve.
36Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon.
37Het getal van mijn treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.
38Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren samen huilen;
39Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel van zijn akkerlieden heb doen hijgen;
40Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid! De woorden van Job hebben een einde.