BijbelJob

Job 39

Lees Job 39 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

God gaat voort in het verhalen van zijn werken en maakt melding van wat Hij doet ten aanzien van de leeuwen, vers 1 enz. de raven, 3. de steengeiten, 4. de woudezel, 8. de eenhoorn, 12. de pauw, ooievaar en struisvogel, 16. het paard, 22. de sperwer, 29. de arend, 30. God bestraft Job vanwege zijn vermetelheid, 34. Job erkent zijn schuld, 36.

1Zult u voor de oude leeuw roof jagen, of de graagheid van de jonge leeuwen vervullen?

2Als zij neerbuigen in de holen, en in de kuil zitten, ter loering?

3Wie bereidt de raaf haar voedsel, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?

4Weet u de tijd van het baren van de steengeiten? Hebt u waargenomen de arbeid van de hinden?

5Zult u de maanden tellen, die zij vervullen, en weet u de tijd van haar baren?

6(Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?

7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weer daartoe.

8Wie heeft de woudezel vrij heengezonden, en wie heeft de banden van de wilde ezel gelost?

9Die Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.

10Hij belacht het gewoel van de stad; het menigerlei getier van de drijver hoort hij niet.

11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.

12Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij overnachten aan uw kribbe?

13Zult u de eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

14Zult u op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult u uw arbeid op hem laten?

15Zult u hem geloven, dat hij uw zaad zal teruggeven, en verzamelen tot uw dorsvloer?

16Zijn van u de verheugelijke vleugels van de pauwen? Of de veren van de ooievaar, en van de struisvogel?

17Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.

18En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren van het veld die vertrappen kunnen?

19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vrees is.

20Want God heeft haar van wijsheid beroofd, en heeft haar van het verstand niet medegedeeld.

21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.

22Zult u het paard sterkte geven? Kunt u zijn hals met donder bekleden?

23Zult u het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.

24Het graaft in de grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, de geharnaste tegemoet.

25Het belacht de vrees, en wordt niet ontsteld, en keert niet opnieuw vanwege het zwaard.

26Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer van de speer en van de lans.

27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid van de bazuin.

28In het volle geklank van de bazuin, zegt het: Heah! en ruikt de oorlog van verre, de donder van de vorsten en het gejuich.

29Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugels uit naar het zuiden?

30Is het naar uw bevel, dat de adelaar zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt?

31Hij woont en overnacht in de steenrots, op de scherpte van de steenrots en van de vaste plaats.

32Van daar speurt hij het voedsel op; zijn ogen zien van verre af.

33Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.

34En JAHWEH antwoordde Job, en zei:

35Is het twisten met de Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop.

36Toen antwoordde Job JAHWEH, en zei:

37Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.

38Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren.