BijbelJob

Job 4

Lees Job 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Elifaz berispt Job, om hem antwoord te geven, vanwege zijn ongeduld, vers 1 enz. stelt hem de gerechtigheid van God voor, om te tonen dat God hem vanwege zijn zonden strafte, 7. hij verhaalt hem een visioen, ofwel een verschijning van een engel, 12. samen met de aanspraak daarvan, menend die op de zaak van Job goed te kunnen toepassen, 17. Job wordt vermaand tot ootmoed en bekering, 18.

1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zei:

2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult u verdrietig zijn? Toch wie zal zich van woorden kunnen onthouden?

3Zie, u hebt velen onderwezen, en u hebt slappe handen gesterkt;

4Uw woorden hebben de struikelende opgericht, en de krommende knieën hebt u vastgesteld;

5Maar nu komt het aan u, en u bent verdrietig; het raakt tot u, en u wordt beroerd.

6Was niet uw vrees voor God uw hoop, en de oprechtheid van uw wegen uw verwachting?

7Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten vernietigd?

8Maar zoals ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien die.

9Van de adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.

10De brulling van de leeuw, en de stem van de felle leeuw, en de tanden van de jonge leeuwen worden verbroken.

11De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongen van een oude leeuw worden verstrooid.

12Verder is tot mij een woord in het geheim gebracht, en mijn oor heeft een klein beetje daarvan gevat;

13Onder de gedachten van de visioenen in de nacht, als diepe slaap valt op de mensen;

14Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid van mijn beenderen.

15Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar van mijn vlees te berge rijzen.

16Hij stond, maar ik kende zijn gedaante niet; een beeld was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:

17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?

18Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.

19Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, waarvan de grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.

20Van de morgen tot de avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.

21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.