Job 42
Lees Job 42 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Job erkent zijn schuld, vers 1 enz. en bewijst zijn berouw in stof en as, 6. God bestraft de drie vrienden van Job, 7. beveelt hun dat zij voor zichzelf offers brengen en dat Job voor hen bidt, 8. als dit gedaan is, worden zij met God verzoend, 9. Job wordt verlost uit zijn lijden en nog eens zo zeer gezegend als tevoren, 10, 12. wordt bezocht en getroost door zijn broers, zussen en goede bekenden, 11. wordt gezegend niet alleen in bezittingen, 12. maar ook in kinderen, 13. de lengte van zijn leven, 16. zijn dood, 17.
1Toen antwoordde Job JAHWEH, en zei:
2Ik weet, dat U alles kunt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden.
3Wie is hij, zegt U, die de raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, wat ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht U mij.
5Met het gehoor van het oor heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.
6Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.
7Het gebeurde nu, nadat JAHWEH die woorden tot Job gesproken had, dat JAHWEH tot Elifaz, de Themaniet, zei: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet recht van Mij gesproken, zoals Mijn knecht Job.
8Daarom neemt nu voor u zeven stieren en zeven rammen, en gaat heen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor u, en laat Mijn knecht Job voor u bidden; want zeker, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet recht van Mij gesproken, zoals Mijn knecht Job.
9Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naämathiet, heen, en deden, zoals JAHWEH tot hen gesproken had; en JAHWEH nam het aangezicht van Job aan.
10En JAHWEH wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en JAHWEH vermeerderde al wat Job gehad had tot dubbel zoveel.
11Ook kwamen tot hem al zijn broers, en al zijn zussen, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en troostten hem over al het kwaad, dat JAHWEH over hem gebracht had; en zij gaven hem ieder een geldstuk, ieder ook een gouden voorhoofdsiersel.
12En JAHWEH zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kamelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.
13Daartoe had hij zeven zonen en drie dochters.
14En hij noemde de naam van de eerste Jemima, en de naam van de tweede Kezia, en de naam van de derde Keren-happuch.
15En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het hele land, als de dochters van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broers.
16En Job leefde na deze honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen van zijn kinderen, tot in vier geslachten.
17En Job stierf, oud en van de dagen verzadigd.