BijbelJob

Job 6

Lees Job 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Job verklaart reden te hebben voor zijn grote ontsteltenis en klachten, vers 1 enz. Verder heeft hij geen behagen in de berisping van Elifaz, 6. wenst te sterven, 8. hoopt op geen lichamelijke gezondheid, 11. beschuldigt Elifaz van een verkeerd oordeel over de oprechtheid van zijn persoon, 13. van onbeleefdheid, 14. van trouweloosheid in het troosten van zijn vriend, 15. van onvriendelijkheid in het bestraffen van zijn woorden, 24. hij vraagt zijn vrienden met zulke bestraffingen op te houden en op zijn zaak beter acht te geven, 28.

1Maar Job antwoordde en zei:

2Och, of mijn verdriet recht gewogen werd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!

3Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand van de zeeën; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.

4Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij, waarvan het vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.

5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voer?

6Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte van de dooier?

7Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe voedsel.

8Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;

9En dat het God beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!

10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij opfrissen in de smart, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen van de Heilige niet verborgen gehouden.

11Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of wat is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?

12Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal?

13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

14Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend goedertierenheid gebeuren; of hij zou de vrees voor de Almachtige verlaten.

15Mijn broers hebben trouweloos gehandeld als een beek; als de storting van de beken gaan zij door;

16Die verdonkerd zijn van het ijs, en waarin de sneeuw zich verbergt.

17Ten tijde, als zij van hitte wegsmelten, worden zij uitgewist; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.

18De gangen van haar weg wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.

19De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar.

20Zij worden beschaamd, omdat elk vertrouwde; als zij daartoe komen, zo worden zij schaamrood.

21Werkelijk, zo bent u mij nu niets geworden; u hebt gezien de ontzetting, en u hebt gevreesd.

22Heb ik gezegd: Breng mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen?

23Of bevrijdt mij van de hand van de verdrukker, en verlost mij van de hand van de tirannen?

24Leer mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.

25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van u is?

26Zult u, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen van de mismoedigen voor wind zijn?

27Ook werpt u zich op een wees; en u graaft tegen uw vriend.

28Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor uw aangezicht zijn, of ik liege.

29Keer toch weer, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weer; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn.

30Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?