Job 7
Lees Job 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Job gaat voort in zijn klachten en beschrijft zijn ellendige staat, niet alleen vanwege de moeilijke kortheid van dit leven in het algemeen, vers 1 enz. maar ook vanwege zijn verdriet, 3. zware ziekte, 5. en korte voorspoed in het bijzonder, 6. Hij keert zich tot God en bidt Hem om zijn zegen voor de tijd van zijn overige leven, dat kort zou zijn, 7. daarom klaagt hij over het geweld van zijn straf, 11. hoewel hij toch zo zwak, onwaardig en nietig was, 17. hij bidt om de vergeving van zijn zonden, 20.
1Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen van de dagloner?
2Zoals de dienaar hijgt naar de schaduw, en zoals de dagloner verwacht zijn werkloon;
3Zo zijn mij maanden van de zinloosheid als erfenis geworden, en nachten van de moeite zijn mij voorbereid.
4Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij de avond afgemeten hebben? En ik word verzadigd van woelingen tot aan de schemertijd.
5Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis van het stof bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden.
6Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.
7Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet terugkomen, om het goede te zien.
8Het oog van degene, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.
9Een wolk vergaat en vaart heen; zo die in het graf daalt, zal niet weer opkomen.
10Hij zal niet meer terugkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid van mijn geest; ik zal klagen in bitterheid van mijn ziel.
12Ben ik dan een zee, of walvis, dat U om mij wachten zet?
13Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij troosten, mijn bed zal van mijn klacht wat wegnemen;
14Dan ontzet U mij met dromen, en door visioenen verschrikt U mij;
15Zodat mijn ziel de wurging kiest; de dood meer dan mijn beenderen.
16Ik versmaad ze, ik zal toch in de eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn zinloosheid.
17Wat is de mens, dat U hem groot acht, en dat U Uw hart op hem zet?
18En dat U hem bezoekt in elke morgenstond; dat U hem in elk ogenblik beproeft?
19Hoe lang keert U Zich niet af van mij, en laat niet van mij af, voordat ik mijn speeksel doorslik?
20Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt U mij U tot een mikpunt gesteld, dat ik mijzelf tot een last zij?
21En waarom vergeeft U niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en U zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.