BijbelJob

Job 8

Lees Job 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Bildad bestraft de woorden van Job, vers 1 enz. prijst Gods gerechtigheid, 3. beschuldigt Jobs kinderen, 4. maar hij belooft Job, als hij zich zou bekeren, Gods genade en zegen, 5. daarentegen bewijst hij met de ervaring van vroegere tijden de ondergang van de goddelozen, 8. hij troost Job, als hij oprecht is, met Gods beloften, 20.

1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:

2Hoe lang zult u deze dingen spreken, en de redenen van uw mond een geweldige wind zijn?

3Zou dan God het recht verdraaien, en zou de Almachtige de gerechtigheid verdraaien?

4Als uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand van hun overtreding geworpen.

5Maar als u naar God vroeg zoekt, en tot de Almachtige om genade bidt;

6Zo u zuiver en recht bent, zeker zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning van uw gerechtigheid volmaken.

7Uw begin zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.

8Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking van hun vaders.

9Want wij zijn van gisteren en weten niet; omdat onze dagen op de aarde een schaduw zijn.

10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?

11Verhef zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water?

12Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, toch verdort het voor alle gras.

13Zo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting van de huichelaar zal vergaan.

14Van wie zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis van de spinnekop.

15Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.

16Hij is sappig voor de zon, en zijn scheuten gaan over zijn hof uit.

17Zijn wortels worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats.

18Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem ontkennen, zeggende: Ik heb u niet gezien.

19Zie, dat is de vreugde van zijn weg; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.

20Zie, God zal de oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand;

21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.

22Uw vijanden zullen met schaamte bekleed worden; en de tent van de goddelozen zal niet meer zijn.