Joël 1
Lees Joël 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De profeet stelt het volk, op Gods bevel, de gruwelijke landplaag van allerlei ongedierte voor, en vermaant hen tot ontwaken en het overdenken daarvan, verzen 1, 2, enz. evenzo tot treuren en weeklagen, 8. beveelt te vasten en te bidden, 14.
1Het woord van JAHWEH, dat gebeurd is tot Joël, de zoon van Pethuël:
2Hoor dit, u oudsten! en neem ter ore, alle inwoners van het land! Is dit gebeurd in uw dagen, of ook in de dagen van uw vaders?
3Vertel uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en van die kinderen aan een ander geslacht.
4Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.
5Waak op, u dronkenen! en weent, en huilt, alle u wijnzuipers! om de nieuwe wijn, omdat hij van uw mond is afgesneden.
6Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft de baktanden van een oude leeuw.
7Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem geheel ontbloot en neergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden.
8Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege de man van haar jeugd.
9Voedseloffer en drankoffer is van het huis van JAHWEH afgesneden; de priesters, het dienaren van JAHWEH, treuren.
10Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de nieuwe wijn is verdroogd, de olie is flauw.
11De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst van het veld is vergaan.
12De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen van het veld zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen.
13Omgord u, en rouwklaagt, u priesters! huil, u dienaren van het altaar! ga in, overnacht in zakken, u dienaren van mijn God! want voedseloffer en drankoffer is geweerd van het huis van uw God.
14Heilig een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners van dit land, in het huis van JAHWEH, van uw God, en roept tot JAHWEH.
15Ach, die dag! want de dag van JAHWEH is nabij, en zal als een verwoesting komen van de Almachtige.
16Is niet het voedsel voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het huis van onze God?
17De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.
18O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.
19Tot U, o JAHWEH! roep ik; want een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen van het veld aangestoken.
20Ook schreeuwt elk beest van het veld tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden van de woestijn verteerd.