Joël 3
Lees Joël 3 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Profetie over Gods oordeel over de vijanden van Zijn kerk, met een bespotting van hun ijdele aanslagen en toerustingen daartegen, vers 1, enz. Eeuwige gelukzaligheid van de kerk en ondergang van de vijanden, 18.
1Want ziet, in die dagen en in die tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden;
2Dan zal Ik alle heidenen verzamelen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen daar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;
3En hebben het lot over Mijn volk geworpen en een jongetje gegeven om een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.
4En ook, wat hebt u met Mij te doen, u Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zou u Mij een vergelding wedergeven? Maar zo u Mij wilt vergelden, licht, haastig, zal Ik uw vergelding op uw hoofd teruggeven.
5Omdat u Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, en hebt Mijn beste kleinodiën in uw tempels gebracht.
6En u hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen van de Grieken, opdat u hen verre van hun gebied mocht brengen.
7Zie, Ik zal ze opwekken uit de plaats, waarheen u ze hebt verkocht; en Ik zal uw vergelding teruggeven op uw hoofd.
8En Ik zal uw zonen en uw dochters verkopen in de hand van de kinderen van Juda, die ze verkopen zullen aan die van Scheba, aan een vergelegen volk; want JAHWEH heeft het gesproken.
9Roep dit uit onder de heidenen, heiligt een strijd; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle soldaten.
10Sla uw spaden tot zwaarden, en uw sikkels tot speren; de zwakke zeg: Ik ben een held.
11Rot te hoop, en komt aan, alle u volken van rondom, en verzamelt u! (O JAHWEH, doe Uw helden daarheen neerdalen!)
12De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar daar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.
13Sla de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; kom aan, daalt heen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hun boosheid is groot.
14Menigten, menigten in het dal van de dorswagen; want de dag van JAHWEH is nabij, in het dal van de dorswagen.
15De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.
16En JAHWEH zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar JAHWEH zal de Toevlucht van Zijn volk, en de Sterkte van de Israëlieten zijn.
17En u zult weten, dat Ik JAHWEH, uw God ben, wonende op Sion, de berg Van mijn heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan.
18En het zal op die dag gebeuren dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk stromen, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis van JAHWEH uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren.
19Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in wier land zij onschuldig bloed vergoten hebben.
20Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht.
21En Ik zal hun bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en JAHWEH zal wonen op Sion.