Bijbel

Johannes

Nieuwe Testament · 21 hoofdstukken · vrij van rechten (CC0)

Inleiding

Dit Evangelie heeft dezelfde inhoud als de vorige; alleen verhaalt Johannes ook enkele toespraken en gebeden van Christus, evenals enkele wonderen die de andere evangelisten niet hadden beschreven. De oude kerkelijke schrijvers getuigen dat hij dit Evangelie na de andere evangelisten geschreven heeft, op verzoek van de kerken van Azië, toen onder hen de ketterijen van Ebion en Cerinthus waren ontstaan, die de Godheid van Jezus Christus loochenden; daarom is hij ook met het bewijs daarvan begonnen. De evangelist Johannes beschrijft dan eerst de persoon en daarna het ambt van Christus. Wat zijn persoon betreft, eerst zijn goddelijke natuur, die hij uit zijn werken bewijst, en daarna zijn menswording. Wat zijn ambt betreft, beschrijft hij eerst zijn leerambt: dat Johannes de Doper hem daartoe de weg heeft bereid, door openlijk te betuigen en te bewijzen dat niet hij, maar Jezus het Lam Gods en de beloofde Messias was; waardoor Andreas en zijn broeder Simon Petrus en Filippus in Christus geloven, en Nathanaël ook tot hem gebracht wordt en gelooft (Hoofdstuk 1). Dat Christus zijn eerste wonder doet door op een bruiloft te Kana in Galilea het water in wijn te veranderen; dat hij, op het Paasfeest te Jeruzalem gekomen, de tempel zuivert van de kopers en verkopers, en tegenover de Joden bewijst dat hij daartoe macht had (Hoofdstuk 2). Dat hij Nicodemus, een Farizeeër, onderwezen heeft in de hoofdzaken van de ware godsdienst, vooral over de noodzaak en de aard van de geestelijke wedergeboorte van de mens, en over zijn verhoging aan het kruis, waarvan de koperen slang een voorbeeld was, en over de noodzaak en de vrucht van het geloof in hem; dat Johannes de Doper, toen Jezus in Judea was gekomen, opnieuw voor de Joden betuigd heeft dat niet hij, maar Jezus de ware Messias was, en dat men in hem moest geloven om zalig te worden (Hoofdstuk 3). Dat Christus, opnieuw naar Galilea reizend en bij Sichar gekomen, met een Samaritaanse vrouw bij de put gesproken heeft over het levende water dat hij de gelovigen geeft, en over de plaats en wijze van aanbidding; dat zij en vele Samaritanen in hem geloofden; dat de Galileeërs hem goed ontvingen, en dat hij te Kapernaüm de zoon van een dienaar van de koning geneest (Hoofdstuk 4). Dat hij een man die achtendertig jaar te Jeruzalem ziek bij het bad Bethesda gelegen had, op de sabbat met een woord genezen heeft; waarom de Joden hem zochten te doden, tegen wie Christus zich verantwoordt, terwijl hij niet alleen met het getuigenis van Johannes, maar ook met zijn werken en met de Schrift, vooral die van Mozes, bewijst dat hij de Zoon van God was (Hoofdstuk 5). Dat hij vijfduizend mannen met vijf broden gespijzigd heeft, over de zee gewandeld heeft, en de menigte bestrafte omdat zij hem om het brood volgden, terwijl hij hen vermaande te streven naar het brood van het leven dat uit de hemel komt, waarvan het manna een voorbeeld was; en hij leert dat hij dat brood was, en dat men zijn vlees moet eten en zijn bloed drinken. Toen de mensen van Kapernaüm dit verkeerd begrepen, verklaart hij nader dat zijn woorden geestelijk te verstaan zijn, namelijk dat men in hem moet geloven; waarom sommige discipelen van hem afvielen, maar de twaalf bij hem bleven, tot wie hij zegt dat een van hen een duivel was (Hoofdstuk 6). Dat zijn verwanten hem aansporen op te gaan naar het Loofhuttenfeest, terwijl hij hen vooruit laat trekken; wat het volk op het feest over hem zei; dat hij zowel in het midden van het feest als aan het einde het volk geleerd heeft dat zijn leer de leer van de Vader was, wat velen geloofden maar de Farizeeën tegenspraken; en dat de Farizeeën hem zochten te vangen, maar dat hij door Nicodemus verdedigd wordt (Hoofdstuk 7). Dat hij een vrouw die op overspel betrapt was, niet wil veroordelen; en het volk leert dat hij het licht van de wereld is, en dat niet hij van zichzelf getuigt, maar de Vader die hem gezonden heeft; dat hij de Farizeeën overtuigt dat zij geen echte kinderen van Abraham waren, maar kinderen en dienaren van de duivel, en dat hij vóór Abraham geweest is; waarom zij hem wilden stenigen (Hoofdstuk 8). Dat hij iemand die blind geboren was, ziende heeft gemaakt; en toen dit de Farizeeën bekend werd, onderzoeken zij hem, en zij lasteren de man die de waarheid vrijmoedig erkent, en werpen hem buiten; aan hem openbaart de Heere zich duidelijker, terwijl hij de Farizeeën hun geestelijke blindheid verwijt (Hoofdstuk 9). Dat hij leert dat de echte herders door de deur moeten ingaan; dat hij de goede Herder is en geen huurling; dat hij nog andere schapen heeft, die hij moet toebrengen; dat hij vrijwillig zijn leven voor de schapen geeft; dat hij op het feest van de inwijding door zijn werken bewijst dat hij de beloofde Messias was, en dat velen in hem geloofden (Hoofdstuk 10). Dat hij Lazarus van Bethanië, die al vier dagen dood was, uit de doden heeft opgewekt; waarover de oversten van de priesters beraadslaagden om hem te doden, uit vrees dat het volk in hem zou geloven; wat de hogepriester Kajafas, onbewust profeterend, goedkeurt, en dat de overpriesters bevel gaven om hem te vangen wanneer hij op het feest zou komen (Hoofdstuk 11). Dat hij te Bethanië door Lazarus en zijn zusters voor de maaltijd genodigd wordt, waar Maria zijn voeten zalft, wat Judas afkeurt en hij verdedigt; dat de Joden Lazarus zochten te doden; dat hij zijn koninklijke intocht in Jeruzalem houdt, rijdend op een ezel; zijn dood aan de discipelen voorzegt; tot zijn Vader bidt, die hem met een grote stem antwoordt; de menigte vermaant in zijn licht te wandelen; dat Jesaja de hardnekkigheid van de Joden tevoren heeft geprofeteerd; dat vele oversten in hem geloofden, maar dit niet durfden te belijden; en hij vermaant in hem te geloven, aangezien hij zijn leer van de Vader ontvangen heeft (Hoofdstuk 12). Dat hij zijn discipelen de voeten gewassen heeft en hen daarmee, naar zijn voorbeeld, vermaande tot nederigheid en onderlinge dienstbaarheid; klaagt dat een van hen hem zou verraden, die hij bekendmaakt en bestraft; voorzegt zijn discipelen dat hij spoedig verheerlijkt zou worden, en vermaande hen tot liefde; en voorzegt Petrus zijn val (Hoofdstuk 13). Dat hij zijn discipelen onderwijst waar hij heen zal gaan, namelijk naar het huis van zijn Vader, en Filippus leert wie zijn Vader was; belooft dat de Vader hun zal geven al wat zij in zijn naam de Vader zullen bidden, en dat hij hun de Heilige Geest zal zenden; en hij vermaant hem en zijn woord lief te hebben (Hoofdstuk 14). Dat hij zichzelf vergelijkt met een wijnstok en hen met de ranken, en hen daardoor vermaant vrucht in hem voort te brengen en vooral elkaar lief te hebben; hen troost tegen de haat en vervolging van de wereld, en de Geest van de waarheid belooft (Hoofdstuk 15). Hij voorzegt al het kwaad dat hun van de Joden zal overkomen, en troost hen over zijn vertrek met de belofte van de Heilige Geest en de kracht daarvan, en ook dat het lijden niet lang zal duren en in blijdschap zal veranderen, en dat de Vader hun gebed altijd zal verhoren; hij voorzegt hun ook hun verstrooiing (Hoofdstuk 16). Daarna beschrijft hij zijn priesterlijk ambt: een voortreffelijk gebed dat hij tot zijn Vader gedaan heeft, eerst voor zichzelf, dat de Vader hem zou willen verheerlijken, daarna voor zijn elf apostelen, dat hij hen voor het kwaad zou willen bewaren, en ook voor allen die door hun woord in hem zouden geloven, dat zij in eenheid mogen blijven en zijn heerlijkheid deelachtig worden (Hoofdstuk 17). Verder beschrijft hij zijn lijden, dat hij geleden heeft, zowel in de hof, waar hij door Judas verraden en door de soldaten (die hij eerst ter aarde werpt) gevangengenomen wordt, als in het huis van de hogepriester Kajafas, waar Petrus hem driemaal verloochent en hij door de hogepriester ondervraagd wordt; en in het gerechtsgebouw voor de stadhouder Pilatus, die, nadat hij eerst de Joden en daarna Christus ondervraagd heeft, geen schuld in hem vindt en daarom hem zoekt los te laten door het gebruik dat men op het Paasfeest een misdadiger losliet; maar dat het volk verlangde niet hem, maar Barabbas vrij te krijgen (Hoofdstuk 18). Dat Pilatus hem heeft laten geselen en door de soldaten bespotten, en hem zo wilde loslaten; maar dat de overpriesters riepen dat hij hem moest kruisigen, wat Pilatus ten slotte heeft toegestaan; en hij leverde hem over aan de soldaten, die hem gekruisigd hebben, terwijl zij zijn beschuldiging boven zijn hoofd zetten en zijn kleren door het lot verdeelden; dat zijn moeder daarbij stond, die hij aan Johannes toevertrouwt, en dat hij, met azijn gedrenkt, de geest gegeven heeft, waarom hem de beenderen niet zijn gebroken; en dat hij door Jozef van Arimathea en Nicodemus is begraven (Hoofdstuk 19). Dat hij op de derde dag weer is opgestaan uit de doden, wat eerst aan Maria Magdalena door twee engelen is bekendgemaakt, en terstond daarna door Christus zelf, die haar aanspreekt; evenals 's avonds aan de andere discipelen, waar Thomas niet bij was, die het niet kon geloven, en acht dagen daarna aan hen en aan Thomas, die zijn zijde betast en gelooft (Hoofdstuk 20). Dat hij zich nog eenmaal openbaart aan zijn discipelen terwijl zij vissen aan de zee van Tiberias, waar hij Petrus herstelt in zijn ambt en hem zijn dood voorzegt; en daarmee besluit Johannes zijn evangelische geschiedenis (Hoofdstuk 21).