BijbelJohannes

Johannes 1

Lees Johannes 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 De persoon van Christus wordt beschreven: dat hij het eeuwige Woord van God is, ware God, Schepper van alle dingen, het leven en licht van de mensen, vooral van hen die in hem geloven. 14 En dat dit Woord vlees geworden is. 15 Johannes de Doper getuigt van de waardigheid van zijn persoon en ambt. 23 Alzok van zijn eigen roeping. 29 Verklaart opnieuw dat Christus het Lam en de Zoon van God is. 32 En dat hij hem bekend is gemaakt door de nederdaling van de Heilige Geest op hem. 37 Op welk getuigenis twee discipelen van Johannes Christus volgen. 41 Van wie de ene, Andreas, zijn broer Simon ook tot Christus brengt. 43 Die hem de naam Petrus geeft. 44 Christus roept Filippus. 46 En Filippus brengt Nathanaël tot Christus. 49 Die hem als de Zoon van God erkent en als discipel aangenomen wordt.

1In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.

2Dit was in het begin bij God.

3Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.

4In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht van de mensen.

5En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.

6Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes.

7Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden.

8Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.

9Dit was het waarachtige Licht, Dat verlicht elk mens, komende in de wereld.

10Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend.

11Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

12Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;

13Die niet uit het bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn.

14En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.

15Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Wie ik zei: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik.

16En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.

17Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.

18Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard.

19En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie bent u?

20En hij beleed en ontkende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet.

21En zij vraagden hem: Wat dan? Bent u Elia? En hij zei: Ik ben die niet. Bent u de profeet? En hij antwoordde: Nee.

22Zij zeiden dan tot hem: Wie bent u? opdat wij antwoord geven mogen degenen, die ons gezonden hebben; wat zegt u van uzelf?

23Hij zei: Ik ben de stem van de roepende in de woestijn: Maak de weg van de Heere recht, zoals Jesaja, de profeet, gesproken heeft.

24En de afgezondenen waren uit de Farizeeën;

25En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt u dan, zo u de Christus niet bent, noch Elia, noch de profeet?

26Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder u, Die u niet kent;

27Deze is het, Die na mij komt, die voor mij geworden is, Wie ik niet waard ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.

28Deze dingen zijn gebeurd in Bethabara, over de Jordaan, waar Johannes was dopende.

29Op de andere dag zag Johannes Jezus tot zich komende, en zei: Zie het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt!

30Deze is het, van Wie ik gezegd heb: Na mij komt een Man, Die voor mij geworden is, want Hij was eer dan ik.

31En ik kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met het water.

32En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb de Geest zien nederdalen uit de hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem.

33En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Wie u de Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met de Heilige Geest doopt.

34En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is.

35Op de andere dag opnieuw stond Johannes, en twee uit zijn discipelen.

36En ziende op Jezus, daar wandelende, zei hij: Zie, het Lam van God!

37En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus.

38En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zei tot hen:

39Wat zoekt u? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (dat is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont U?

40Hij zei tot hen: Kom en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven die dag bij Hem. En het was ongeveer het tiende uur.

41Andreas, de broer van Simon Petrus, was één van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en Hem gevolgd waren.

42Deze vond eerst zijn broer Simon, en zei tot hem: Wij hebben gevonden de Messias, dat is, overgezet zijnde, de Christus.

43En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zei: U bent Simon, de zoon van Jonas; u zult genoemd worden Cefas, dat overgezet wordt Petrus.

44Op de andere dag wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus, en zei tot hem: Volg Mij.

45Filippus nu was van Bethsaïda, uit de stad van Andreas en Petrus.

46Filippus vond Nathanaël en zei tot hem: Wij hebben Die gevonden, van Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, de zoon van Jozef, van Nazareth.

47En Nathanaël zei tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zei van hem: Kom en zie.

48Jezus zag Nathanaël tot Zich komen, en zei van hem: Zie, werkelijk een Israëliet, in wie geen bedrog is.

49Nathanaël zei tot Hem: Vanwaar kent U mij? Jezus antwoordde en zei tot hem: Voordat u Filippus riep, daar u onder de vijgeboom was, zag Ik u.

50Nathanaël antwoordde en zei tot Hem: Rabbi! U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël.

51Jezus antwoordde en zei tot hem: Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, zo gelooft u; u zult grotere dingen zien dan deze.

52En Hij zei tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Van nu aan zult u de hemel zien geopend, en de engelen van God opklimmende en nederdalende op de Zoon des mensen.