Johannes 10
Lees Johannes 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Door de gelijkenis van de eigenschappen van een trouwe herder bewijst Christus dat hij de ware Herder is van zijn schapen. 7 Alzok de ware deur van de schaapskooi. 12 En geen huurling. 14 Daar hij zijn leven gewillig geeft voor zijn schapen. 19 Waarover de Joden onder elkaar twisten. 22 Christus, te Jeruzalem op het feest van de vernieuwing van de tempel, wordt door de Joden omringd en gevraagd of hij de Christus is. 25 Wat hij betuigt en bewijst uit zijn werken. 26 Zegt dat zij niet in hem geloven omdat zij niet van zijn schapen zijn. 27 Maar dat zijn schapen in hem geloven, en dat zij door hem en zijn Vader ten eeuwigen leven bewaard worden. 31 De Joden willen hem stenigen als godslasteraar. 34 Maar hij verdedigt zichzelf uit de Schrift en met zijn werken, dat hij zichzelf terecht de Zoon van God genoemd heeft. 39 En ontsnapt uit hun handen, en wijkt naar de Jordaan.
1Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die niet ingaat door de deur in de stal van de schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.
2Maar die door de deur ingaat, is een herder van de schapen.
3Deze doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit.
4En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.
5Maar een vreemde zullen zij in geen geval volgen, maar zullen van hem vluchten; omdat zij de stem van de vreemde niet kennen.
6Deze gelijkenis zei Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.
7Jezus dan zei opnieuw tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur van de schapen.
8Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord.
9Ik ben de Deur; als iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden.
10De dief komt niet, dan opdat hij stele, en slachte, en verderft; Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben.
11Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.
12Maar de huurling, en die geen herder is, wie de schapen niet eigen zijn, ziet de wolf komen, en verlaat de schapen, en vlucht; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen.
13En de huurling vlucht, omdat hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen.
14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijn, en wordt van de Mijn gekend.
15Zoals de Vader Mij kent, zo ken Ik ook de Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.
16Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden één kudde, en één Herder.
17Daarom heeft mij de Vader lief, omdat Ik Mijn leven afleg, opdat Ik het opnieuw neme.
18Niemand neemt hetzelfde van Mij, maar Ik leg het van Mijzelf af; Ik heb macht hetzelfde af te leggen, en heb macht hetzelfde opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
19Er werd dan opnieuw tweedracht onder de Joden, vanwege deze woorden.
20En velen van hen zeiden: Hij heeft de duivel, en is waanzinnig; wat hoort u Hem?
21Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden van een bezetene; kan ook de duivel van de blinden ogen openen?
22En het was het feest van de vernieuwing van de tempel te Jeruzalem; en het was winter.
23En Jezus wandelde in de tempel, in het voorhof van Salomo.
24De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt U onze ziel op? Als U de Christus bent, zeg het ons vrijuit.
25Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, en u gelooft het niet. De werken, die Ik doe in de Naam van Mijn Vader, die getuigen van Mij.
26Maar u gelooft niet; want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb.
27Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken deze, en zij volgen Mij.
28En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in de eeuwigheid, en niemand zal deze uit Mijn hand rukken.
29Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand van Mijn Vader.
30Ik en de Vader zijn één.
31De Joden dan namen opnieuw stenen op, om Hem te stenigen.
32Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele voortreffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt u Mij?
33De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed werk, maar over godslastering, en omdat U, een Mens zijnde, Uzelf God maakt.
34Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, u bent goden?
35Als de wet die goden genoemd heeft, tot wie het woord van God gebeurd is, en de Schrift niet kan gebroken worden;
36Zegt u tot Mij, Die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: U lastert God; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
37Als Ik niet doe de werken van Mijn Vader, zo gelooft Mij niet;
38Maar als Ik ze doe, en zo u Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat u mag bekennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem.
39Zij zochten dan opnieuw Hem te grijpen, en Hij ontging uit hun hand.
40En Hij ging opnieuw over de Jordaan, tot de plaats, waar Johannes eerst doopte; en Hij bleef daar.
41En velen kwamen tot Hem, en zeiden: Johannes deed wel geen teken; maar alles, wat Johannes van Deze zei, was waar.
42En velen geloofden daar in Hem.