Johannes 13
Lees Johannes 13 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Christus staat op van het avondmaal, omgordt zich, en wast de voeten van zijn discipelen. 6 Wat Petrus eerst weigert en daarna toelaat. 12 Christus vermaant hen dit voorbeeld van zijn nederigheid en dienstbaarheid na te volgen. 18 Voorzegt dat één van hen hem verraden zou, waartegen hij zijn discipelen troost. 22 En wijst Johannes met het geven van een ingedoopte bete aan dat het Judas was. 27 Die, nadat de duivel in hem gevaren was, uitgaat. 31 Christus spreekt daarna met zijn andere discipelen over zijn verheerlijking. 34 En vermaant hen tot onderlinge liefde. 37 Petrus wil zijn leven voor hem inzetten, maar Christus voorzegt hem dat hij hem drie keer verloochenen zal.
1En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn uur gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader, zo Hij de Zijn, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.
2En als het avondmaal gedaan was, toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou,
3Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging,
4Stond op van het avondmaal, en legde Zijn kleren af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelf.
5Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten van de discipelen te wassen, en af te drogen met de linnen doek, waarmee Hij omgord was.
6Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zei tot Hem: Heere, zult U mij de voeten wassen?
7Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet u nu niet, maar u zult het na deze verstaan.
8Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten niet wassen in de eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Als Ik u niet was, u hebt geen deel met Mij.
9Simon Petrus zei tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd.
10Jezus zei tot hem: Die gewassen is, heeft niet nodig, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen.
11Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zei Hij: U bent niet allen rein.
12Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn kleren genomen had, zat Hij opnieuw aan, en zei tot hen: Verstaat u, wat Ik u gedaan heb?
13U heet Mij Meester en Heere; en u zegt wel, want Ik ben het.
14Als dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo bent u ook schuldig, elkaars voeten te wassen.
15Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, zoals Ik u gedaan heb, u ook doet.
16Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienaar is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft.
17Als u deze dingen weet, zalig bent u, zo u dezelfde doet.
18Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit gebeurt, opdat de Schrift vervuld wordt: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn hiel opgeheven.
19Van nu zeg Ik het u, voordat het gebeurd is, opdat, wanneer het gebeurd zal zijn, u geloven mag, dat Ik het ben.
20Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zend, wie die ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.
21Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in de geest, en betuigde, en zei: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden.
22De discipelen dan zagen op elkaar, twijfelende, van wie Hij dat zei.
23En één van Zijn discipelen was aanzittende in de schoot van Jezus, wie Jezus liefhad.
24Simon Petrus dan wenkte deze, dat hij vragen zou, wie hij toch was, van wie Hij dit zei.
25En deze, vallende op de borst van Jezus, zei tot Hem: Heere, wie is het?
26Jezus antwoordde: Deze is het, die Ik het brood, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij het brood ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot.
27En na het brood, toen voer de satan in hem. Jezus dan zei tot hem: Wat u doet, doe het haastig.
28En dit verstond niemand van degenen, die aanzaten, waartoe Hij hem dat zei.
29Want sommigen meenden, omdat Judas de beurs had, dat hem Jezus zei: Koop, wat wij nodig hebben tot het feest, of, dat hij de armen wat geven zou.
30Hij dan, het brood genomen hebbende, ging meteen uit. En het was nacht.
31Als hij dan uitgegaan was, zei Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt.
32Als God in Hem verheerlijkt is, zo zal ook God Hem verheerlijken in Zichzelf, en Hij zal Hem meteen verheerlijken.
33Kinderen, nog een kleine tijd ben Ik bij u. U zult Mij zoeken, en zoals Ik de Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt u niet komen; zo zeg Ik u nu ook.
34Een nieuw gebod geef Ik u, dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, dat ook u elkaar liefhebt.
35Hieraan zullen zij allen bekennen, dat u Mijn discipelen bent, zo u liefde hebt onder elkaar.
36Simon Petrus zei tot Hem: Heere, waar gaat U heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heenga, kunt u Mij nu niet volgen; maar u zult Mij later volgen.
37Petrus zei tot Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten.
38Jezus antwoordde hem: Zult u uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, voordat u Mij drie keer verloochend zult hebben.