BijbelJohannes

Johannes 16

Lees Johannes 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Christus voorzegt zijn discipelen dat zij vervolgd zullen worden. 5 En troost hen met de belofte van de Heilige Geest, die de wereld zal overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. 12 En hen in alle waarheid leiden. 16 Verklaart dat hij weldra van hen weggenomen, maar ook weer na korte tijd gezien zal worden. 20 En dat hun verdriet spoedig in blijdschap zal veranderen, zoals de weeën van een vrouw als zij gebaard heeft. 23 Vermaant hen in zijn naam te bidden, met de belofte verhoord te worden. 28 En verklaart vrijuit, zonder gelijkenis, dat hij de wereld verlaat. 29 Wat de discipelen verstaan, en worden in hun geloof versterkt. 31 Hij waarschuwt hen dat zij verstrooid zullen worden, en belooft hun zijn vrede.

1Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u niet ten val komt.

2Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, het uur komt, dat ieder, die u zal doden, zal menen voor God een dienst te doen.

3En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij de Vader niet gekend hebben, noch Mij.

4Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer het uur zal gekomen zijn, u deze mag gedenken, dat Ik ze u gezegd heb; maar deze dingen heb Ik u van het begin niet gezegd, omdat Ik bij u was.

5En nu ga Ik heen tot Degene, die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat U heen?

6Maar omdat Ik deze dingen tot u gesproken heb, zo heeft de verdriet uw hart vervuld.

7Maar Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar als Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.

8En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel:

9Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven;

10En van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en u zult Mij niet meer zien;

11En van oordeel, omdat de overste van deze wereld geoordeeld is.

12Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, maar u kunt die nu niet dragen.

13Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest van de waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelf niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.

14Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.

15Al wat de Vader heeft, is van Mij; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen.

16Een kleine tijd, en u zult Mij niet zien; en opnieuw een kleine tijd, en u zult Mij zien, want Ik ga heen tot de Vader.

17Sommigen dan uit Zijn discipelen zeiden tot elkaar: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een kleine tijd, en u zult Mij niet zien; en opnieuw een kleine tijd, en u zult Mij zien; en: Want Ik ga heen tot de Vader?

18Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een kleine tijd? Wij weten niet, wat Hij zegt.

19Jezus dan bekende, dat zij Hem wilden vragen, en zei tot hen: Vraagt u daarvan onder elkaar, dat Ik gezegd heb: Een kleine tijd, en u zult Mij niet zien, en opnieuw een kleine tijd, en u zult Mij zien?

20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat u zult huilen, en klagelijk huilen, maar de wereld zal zich verblijden; en u zult bedroefd zijn, maar uw verdriet zal tot blijdschap worden.

21Een vrouw, wanneer zij baart, heeft verdriet, omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is.

22En u dan hebt nu wel verdriet; maar Ik zal u opnieuw zien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen.

23En in die dag zult u Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven.

24Tot nog toe hebt u niet gebeden in Mijn Naam; bid, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.

25Deze dingen heb Ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar het uur komt, dat Ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal, maar u vrijuit van de Vader zal verkondigen.

26In die dag zult u in Mijn Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u bidden zal;

27Want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan.

28Ik ben van de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; opnieuw verlaat Ik de wereld, en ga heen tot de Vader.

29Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt U vrijuit, en zegt geen gelijkenis.

30Nu weten wij, dat U alle dingen weet, en U hebt niet nodig, dat U iemand vrage. Hierom geloven wij, dat U van God uitgegaan bent.

31Jezus antwoordde hun: Gelooft u nu?

32Zie, het uur komt, en is nu gekomen, dat u zult verstrooid worden, ieder naar het zijne, en u Mij alleen zult laten; en toch ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij.

33Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.