BijbelJohannes

Johannes 17

Lees Johannes 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Christus bidt als onze Hogepriester, zich voorbereidend op zijn lijden en sterven, zijn Vader dat hij hem verheerlijke om het eeuwige leven te geven aan wie hem kennen. 4 Verhaalt hoe getrouw en met welke vreugde hij het werk dat hem was opgelegd, heeft volbracht. 9 Bidt voor zijn apostelen, dat de Vader hen beware in eenheid van liefde. 15 Van de boze. 17 En heilige in zijn waarheid. 20 Bidt ook voor allen die door hun woord in hem zullen geloven. 21 Dat zij één mogen zijn. 24 En bij hem zijn waar hij is, om zijn heerlijkheid te aanschouwen.

1Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar de hemel, en zei: Vader, het uur is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.

2Zoals U Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat U Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geeft.

3En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtigen God, en Jezus Christus, Die U gezonden hebt.

4Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voltooid het werk, dat U Mij gegeven hebt om te doen;

5En nu verheerlijk Mij, U Vader, bij Uzelf, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, voordat de wereld was.

6Ik heb Uw Naam geopenbaard de mensen, die U Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en U hebt Mij deze gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard.

7Nu hebben zij bekend, dat alles, wat U Mij gegeven hebt, van U is.

8Want de woorden, die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben werkelijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat U Mij gezonden hebt.

9Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die U Mij gegeven hebt, want ze zijn van U.

10En al het Mijne is Uw, en het van U is van Mij; en Ik ben in hen verheerlijkt.

11En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik komt tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, zoals Wij.

12Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon van de verderfenis, opdat de Schrift vervuld wordt.

13Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij Mijn blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelf.

14Ik heb hun Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, zoals Ik van de wereld niet ben.

15Ik bid niet, dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart van de boze.

16Zij zijn niet van de wereld, zoals Ik van de wereld niet ben.

17Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.

18Zoals U Mij gezonden hebt in de wereld, zo heb Ik hen ook in de wereld gezonden.

19En Ik heilige Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.

20En Ik bid niet alleen voor deze, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen.

21Opdat zij allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelooft, dat U Mij gezonden hebt.

22En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die U Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, zoals Wij Één zijn;

23Ik in hen, en U in Mij; opdat zij volmaakt zijn in één, en opdat de wereld bekenne, dat U Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, zoals U Mij liefgehad hebt.

24Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging van de wereld.

25Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, en deze hebben bekend, dat U Mij gezonden hebt.

26En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmee U Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen.