Johannes 18
Lees Johannes 18 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Christus gaat met zijn discipelen in een hof. 2 Waar Judas komt met de bende om hem te vangen. 4 Welke bende op Christus' aanspraak ter aarde valt. 10 Petrus houwt Malchus het oor af, waarover Christus hem bestraft. 13 Christus wordt gevangen en eerst naar Annas en vandaar naar Kajafas gebracht. 15 Wordt door Petrus gevolgd en daarna verloochend. 19 Door Kajafas ondervraagd over zijn discipelen en leer. 22 Door één van de dienaren geslagen, die hij daarover bestraft. 25 Wordt door Petrus nog tweemaal verloochend. 28 Voor Pilatus in het rechthuis gebracht, die naar zijn beschuldiging vraagt en hem aan het oordeel van de Joden wil overgeven. 33 Wordt door Pilatus ondervraagd over zijn Koninkrijk, dat hij betuigt niet van deze wereld te zijn. 38 Pilatus verklaart hem onschuldig en wil hem loslaten. 40 Maar de Joden vragen om Barabbas.
1Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in wie Hij ging, en Zijn discipelen.
2En Judas, die Hem verraadde, wist ook die plaats, omdat Jezus daar dikwijls verzameld was geweest met Zijn discipelen.
3Judas dan, genomen hebbende de bende soldaten en enige dienaren van de overpriesters en Farizeeën, kwam daar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.
4Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zei tot hen: Wie zoekt u?
5Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazarener. Jezus zei tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verraadde, stond ook bij hen.
6Als Hij dan tot hen zei: Ik ben het; gingen zij achteruit, en vielen ter aarde.
7Hij vraagde hun dan opnieuw: Wie zoekt u? En zij zeiden: Jezus de Nazarener.
8Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Als u dan Mij zoekt, zo laat deze heengaan.
9Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had: Uit degenen, die U Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.
10Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok het uit, en sloeg van de hogepriester dienaar, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van de dienaar was Malchus.
11Jezus dan zei tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede. De drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?
12De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaren van de Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem;
13En leidden Hem heen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was.
14Kajafas nu was degene, die de Joden geraden had, dat het nut was, dat een Mens voor het volk stierve.
15En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel. Deze discipel nu was de hogepriester bekend, en ging met Jezus in van de zaal van de hogepriester.
16En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die de hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in.
17De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, zei tot Petrus: Bent ook u niet uit de discipelen van deze Mens? Hij zei: Ik ben niet.
18En de dienaren en de dienaren stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen, en warmde zich.
19De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer.
20Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb alle tijd geleerd in de synagoge en in de tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken.
21Wat ondervraagt u Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, deze weten, wat Ik gezegd heb.
22En als Hij dit zei, gaf één van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt U zo de hogepriester?
23Jezus antwoordde hem: Als Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en als wel, waarom slaat u Mij?
24(Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, de hogepriester.)
25En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Bent u ook niet uit Zijn discipelen? Hij ontkende het, en zei: Ik ben niet.
26Één van de dienaren van de hogepriester, die familie was van degene, die Petrus het oor afgehouwen had, zei: Heb ik u niet gezien in de hof met Hem?
27Petrus dan ontkende het opnieuw. En meteen kraaide de haan.
28Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.
29Pilatus dan ging tot hen uit, en zei: Wat beschuldiging brengt u tegen deze Mens?
30Zij antwoordden en zeiden tot hem: Als Deze geen kwaaddoener was, zo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben.
31Pilatus dan zei tot hen: Neem u Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden.
32Opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, betekenende, wat voor dood Hij sterven zou.
33Pilatus dan ging opnieuw in het rechthuis, en riep Jezus, en zei tot Hem: Bent U de Koning van de Joden?
34Jezus antwoordde hem: Zegt u dit van uzelf, of hebben het u anderen van Mij gezegd?
35Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt U gedaan?
36Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld was, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik de Joden niet was overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.
37Pilatus dan zei tot Hem: Bent U dan een Koning? Jezus antwoordde: U zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik van de waarheid getuigenis geven zou. Ieder, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.
38Pilatus zei tot Hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, ging hij opnieuw uit tot de Joden, en zei tot hen: Ik vind geen schuld in Hem.
39Maar u hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt u dan, dat ik u de Koning van de Joden loslate?
40Zij dan riepen allen opnieuw, zeggende: Niet Deze, maar Bar-abbas! En Bar-abbas was een moordenaar.