BijbelJohannes

Johannes 4

Lees Johannes 4 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Christus maakt en doopt in Judea meer discipelen dan Johannes. 3 Vertrekt vandaar door Samaria naar Galilea, en rust onderweg, vermoeid zijnde, bij een bron. 7 Vraagt te drinken aan een Samaritaanse vrouw, met wie hij spreekt over het ware levende water. 16 Verklaart dat hij kennis had van haar vorige leven, waaruit zij besluit dat hij een profeet is. 20 En wordt door hem onderwezen over de ware aanbidding. 26 En dat hij de Messias is die komen zou. 28 Wat zij bericht aan de inwoners van haar stad, die tot hem uitkomen. 31 Hij verklaart zijn discipelen wat zijn voornaamste voedsel is, en dat nu de juiste tijd van de geestelijke oogst voorhanden is. 39 Velen van de Samaritanen geloven door het woord van de vrouw en vooral door zijn eigen woord in hem. 43 Komt weer in Galilea te Kana, waar hij de zoon van een koninklijke dienaar geneest.

1Als dan de Heere verstond, dat de Farizeeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes;

2(Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen),

3Zo verliet Hij Judea, en ging opnieuw heen naar Galilea.

4En Hij moest door Samaria gaan.

5Hij kwam dan in een stad van Samaria, genoemd Sichar, nabij het stuk land, dat Jakob zijn zoon Jozef gaf.

6En daar was de fontein van Jakob. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat zo neer naast de fontein. Het was ongeveer het zesde uur.

7Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zei tot haar: Geef Mij te drinken.

8(Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden eten kopen.)

9Zo zei dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert U, Die een Jood bent, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.

10Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de gave van God kende, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zou u van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben.

11De vrouw zei tot Hem: Heere! U hebt niet om mee te putten, en de put is diep; vanwaar hebt U dan het levend water?

12Bent U meerder dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee?

13Jezus antwoordde, en zei tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal opnieuw dorsten;

14Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

15De vrouw zei tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten.

16Jezus zei tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier.

17De vrouw antwoordde en zei: Ik heb geen man. Jezus zei tot haar: U hebt wel gezegd: Ik heb geen man.

18Want u hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt, is uw man niet; dat hebt u met waarheid gezegd.

19De vrouw zei tot Hem: Heere, ik zie, dat U een profeet bent.

20Onze vaders hebben op deze berg aangebeden; en u zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden.

21Jezus zei tot haar: Vrouw, geloof Mij, het uur komt, wanneer u, noch op deze berg, noch te Jeruzalem, de Vader zult aanbidden.

22U aanbidt, wat u niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden.

23Maar het uur komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook zulke, die Hem zo aanbidden.

24God is één Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.

25De vrouw zei tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genoemd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen.

26Jezus zei tot haar: Ik ben het, Die met u spreek.

27En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een vrouw sprak. Toch zei niemand: Wat vraagt U, of: Wat spreekt U met haar?

28Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zei tot de mensen:

29Kom, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?

30Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem.

31En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet.

32Maar Hij zei tot hen: Ik heb een voedsel om te eten, die u niet weet.

33Zo zeiden dan de discipelen tegen elkaar: Heeft Hem iemand te eten gebracht?

34Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik doe de wil Van Degene, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge.

35Zegt u niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Zie, Ik zeg u: Hef uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn al wit om te oogsten.

36En die maait, ontvangt loon, en verzamelt vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich samen verblijde, zowel, die zaait als die maait.

37Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait.

38Ik heb u uitgezonden, om te maaien, wat u niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en u bent tot hun arbeid ingegaan.

39En velen van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb.

40Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, dat Hij bij hen bleef; en Hij bleef daar twee dagen.

41En er geloofden er veel meer omwille van Zijn woord;

42En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer vanwege wat u zei; want wij zelf hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze werkelijk is de Christus, de Zaligmaker van de wereld.

43En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea;

44Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft.

45Als Hij dan in Galilea kwam, ontvingen Hem de Galileërs, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan.

46Zo kwam dan Jezus opnieuw te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon ziek was, te Kapernaüm.

47Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.

48Jezus dan zei tot hem: Tenzij dat u tekenen en wonderen ziet, zo zult u niet geloven.

49De koninklijke hoveling zei tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft.

50Jezus zei tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zei, en ging heen.

51En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienaren tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft!

52Zo vraagde hij dan van hen het uur, waarin het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren om zeven uur verliet hem de koorts.

53De vader bekende dan, dat het in dit uur was, in die Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn hele huis.

54Dit tweede teken heeft Jezus opnieuw gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was.