BijbelJohannes

Johannes 6

Lees Johannes 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Christus voedt met vijf broden en twee vissen vijfduizend mannen. 14 Die hem daarom tot koning willen maken, maar hij ontwijkt hen. 16 Wandelt in de nacht op de zee en komt tot zijn discipelen in het schip. 22 Wordt door de menigte gezocht en te Kapernaüm gevonden. 26 Die hij vermaant het onvergankelijke voedsel te zoeken, dat door het geloof te vin den is. 41 Waarover de Joden morren. 43 Christus antwoordt hun dat het geloof in hem van de Vader komt, en leert dat zijn vlees het ware voedsel en zijn bloed de ware drank is, die men eten en drinken moet om het eeuwige leven te verkrijgen. 59 Aan welke leer velen van zijn discipelen te Kapernaüm zich stoten. 61 Waarom Christus hen onderricht over de ware zin van zijn woorden. 66 Velen van zijn discipelen verlaten hem. 67 Petrus en de andere apostelen belijden dat hij de woorden van het leven heeft en blijven bij hem. 70 Maar Christus verklaart dat één van hen een duivel is.

1Na deze vertrok Jezus over de zee van Galilea, die is de zee van Tiberias.

2En Hem volgde een grote menigte, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de zieken.

3En Jezus ging op de berg, en zat daar neer met Zijn discipelen.

4En het pascha, het feest van de Joden, was nabij.

5Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote menigte tot Hem kwam, zei tot Filippus: Vanwaar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen?

6(Maar dit zei Hij, hem beproevende; want Hij wist Zelf, wat Hij doen zou.)

7Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor deze niet genoeg, opdat ieder van hen een weinig neme.

8Één van Zijn discipelen, namelijk Andreas, de broer van Simon Petrus, zei tot Hem:

9Hier is een jongen, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?

10En Jezus zei: Doe de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neer, ongeveer vijf duizend in getal.

11En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze de discipelen, en de discipelen degenen, die nedergezeten waren; evenzo ook van de visjes, zoveel zij wilden.

12En als zij verzadigd waren, zei Hij tot Zijn discipelen: Verzamelt de overgeschoten stukken brood, opdat er niets verloren ga.

13Zij verzamelden ze dan, en vulden twaalf manden met stukken brood van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren degenen, die gegeten hadden.

14De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is werkelijk de Profeet, Die in de wereld komen zou.

15Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem Koning maakten, ontweek opnieuw op de berg, Hij Zelf alleen.

16En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee.

17En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapernaüm. En het was al duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen.

18En de zee verhief zich, omdat er een grote wind waaide.

19En als zij ongeveer vijf en twintig of dertig stadiën gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd.

20Maar Hij zei tot hen: Ik ben het; wees niet bevreesd.

21Zij hebben dan Hem gewillig in het schip genomen; en meteen kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren.

22Op de andere dag de menigte, die aan de andere zijde van de zee stond, ziende, dat daar geen ander scheepje was dan dat ene, daar Zijn discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met Zijn discipelen in dat scheepje niet was gegaan, maar dat Zijn discipelen alleen weggevaren waren;

23(Maar er kwamen andere scheepjes van Tiberias, nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, als de Heere gedankt had.)

24Toen dan de menigte zag, dat Jezus daar niet was, noch Zijn discipelen, zo gingen zij ook in de schepen, en kwamen te Kapernaüm, zoekende Jezus.

25En als zij Hem gevonden hadden over de zee, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer bent U hier gekomen?

26Jezus antwoordde hun en zei: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: u zoekt Mij, niet omdat u tekenen gezien hebt, maar omdat u van de broden gegeten hebt, en verzadigd bent.

27Werk niet om het voedsel, die vergaat, maar om het voedsel, die blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u geven zal; want Deze heeft God de Vader verzegeld.

28Zij zeiden dan tot Hem: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken van God mogen werken?

29Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft.

30Zij zeiden dan tot Hem: Wat teken doet U dan, opdat wij het mogen zien, en U geloven? Wat werkt U?

31Onze vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn; zoals geschreven is: Hij gaf hun het brood uit de hemel te eten.

32Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Mozes heeft u niet gegeven het brood uit de hemel; maar Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit de hemel.

33Want het Brood Gods is Hij, Die uit de hemel neerdaalt, en Die van de wereld het leven geeft.

34Zij zeiden dan tot Hem: Heere, geef ons altijd dit Brood.

35En Jezus zei tot hen: Ik ben het Brood van het leven; die tot Mij komt, zal in geen geval hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.

36Maar Ik heb u gezegd, dat u Mij ook gezien hebt, en u gelooft niet.

37Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik in geen geval uitwerpen.

38Want Ik ben uit de hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil Van Degene, Die Mij gezonden heeft.

39En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar het opwekke ten uitersten dage.

40En dit is de wil Van Degene, Die Mij gezonden heeft, dat ieder, die de Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven heeft; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.

41De Joden dan morden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood, Dat uit de hemel nedergedaald is.

42En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel nedergedaald?

43Jezus antwoordde dan, en zei tot hen: Mort niet onder elkaar.

44Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.

45Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Ieder dan, die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.

46Niet dat iemand de Vader gezien heeft, dan Die van God is; Deze heeft de Vader gezien.

47Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.

48Ik ben het Brood van het leven.

49Uw vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven.

50Dit is het Brood, dat uit de hemel neerdaalt, opdat de mens daarvan eet, en niet sterft.

51Ik ben dat levende Brood, dat uit de hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in de eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, dat Ik geven zal voor het leven van de wereld.

52De Joden dan streden onder elkaar, zeggende: Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven?

53Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat u het vlees van de Zoon des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt u geen leven in uzelf.

54Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.

55Want Mijn vlees is werkelijk Voedsel, en Mijn bloed is werkelijk Drank.

56Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem.

57Zoals Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik leeft door de Vader; zo die Mij eet, deze zal leven door Mij.

58Dit is het Brood, dat uit de hemel nedergedaald is; niet zoals uw vaders het Manna gegeten hebben, en zijn gestorven. Die dit Brood eet, zal in de eeuwigheid leven.

59Deze dingen zei Hij in de synagoge, lerende te Kapernaüm.

60Velen dan van Zijn discipelen, dit horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan deze horen?

61Jezus nu, wetende bij Zichzelf, dat Zijn discipelen daarover morden, zei tot hen: Doet dit u struikelen?

62Wat zou het dan zijn, zo u de Zoon des mensen zag opvaren, daar Hij te voren was?

63De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.

64Maar er zijn sommigen van u, die niet geloven. Want Jezus wist van het begin, wie zij waren, die niet geloofden, en wie hij was, die Hem verraden zou.

65En Hij zei: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader.

66Van toen af gingen velen van Zijn discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.

67Jezus dan zei tot de twaalven: Wilt u ook niet weggaan?

68Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, tot Wie zullen wij heengaan? U hebt de woorden van het eeuwige leven.

69En wij hebben geloofd en bekend, dat U bent de Christus, de Zoon van de levende God.

70Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? En één uit u is een duivel.

71En Hij zei dit van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde één van de twaalven.