Johannes 7
Lees Johannes 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Christus verblijft in Galilea. 2 Zijn broers vermanen hem naar Jeruzalem te gaan voor het Loofhuttenfeest. 6 Wat hij voor die tijd weigert. 10 Maar na enige dagen in het verborgen volgt. 14 Leert in de tempel, en verdedigt zijn leer, alzok zijn wonderwerk op de sabbat verricht. 25 Verschillende meningen van het volk over hem. 28 Gaat voort met leren. 30 Sommigen zoeken hem te vangen, maar kunnen het niet. 32 De Farizeeën en overpriesters zenden hun dienaren om hem te vangen. 33 Hij dreigt de ongelovige Joden dat zij hem daarna niet zullen vin den. 37 En hij nodigt alle dorstigen tot zich, en belooft de Heilige Geest aan wie in hem geloven. 40 Waaruit verdeeldheid onder het volk ontstaat. 45 De dienaren komen terug zonder Christus gevangen te hebben, en roemen zijn leer. 47 Wat de Farizeeën kwalijk nemen, en smadelijk spreken over Christus en het volk. 50 Nicodemus weerspreekt hun doen, waardoor zij twistig worden onder elkaar en uiteengaan.
1En na deze wandelde Jezus in Galilea; want Hij wilde in Judea niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te doden.
2En het feest van de Joden, namelijk de loofhuttenzetting, was nabij.
3Zo zeiden dan Zijn broers tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judea, opdat ook Uw discipelen Uw werken mogen aanschouwen, die U doet.
4Want niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem spreke. Als U deze dingen doet, zo openbaar Uzelf aan de wereld.
5Want ook Zijn broers geloofden niet in Hem.
6Jezus dan zei tot hen: Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid.
7De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van deze getuig, dat haar werken boos zijn.
8Ga u op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd is nog niet vervuld.
9En als Hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef Hij in Galilea.
10Maar als Zijn broers opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.
11De Joden dan zochten Hem in het feest, en zeiden: Waar is Hij?
12En er was veel gemurmels van Hem onder de menigten. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Nee, maar Hij verleidt de menigte.
13Toch sprak niemand vrijmoedig van Hem, om de vrees van de Joden.
14Maar als het nu in het midden van het feest was, zo ging Jezus op in de tempel, en leerde.
15En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?
16Jezus antwoordde hun, en zei: Mijn leer is Mijne niet, maar Van Degene, Die Mij gezonden heeft.
17Zo iemand wil Zijn wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelf spreek.
18Die van zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar Die de eer zoekt Van Degene, Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig, en geen ongerechtigheid is in Hem.
19Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Wat zoekt u Mij te doden?
20De menigte antwoordde en zei: U hebt de duivel; wie zoekt U te doden?
21Jezus antwoordde en zei tot hen: Een werk heb Ik gedaan, en u verwondert u allen.
22Daarom heeft Mozes u de besnijdenis gegeven (niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaders), en u besnijdt een mens op de sabbat.
23Als een mens de besnijdenis ontvangt op de sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken wordt; bent u boos op Mij, dat Ik een heel mens gezond gemaakt heb op de sabbat?
24Oordeel niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.
25Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is Deze niet, Die zij zoeken te doden?
26En ziet, Hij spreekt vrijmoedig, en zij zeggen Hem niets. Zouden nu wel de oversten werkelijk weten, dat Deze werkelijk is de Christus?
27Maar van Deze weten wij, vanwaar Hij is; maar de Christus, wanneer Hij komen zal, zo zal niemand weten, vanwaar Hij is.
28Jezus dan riep in de tempel, lerende en zeggende: En u kent Mij, en u weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben van Mijzelf niet gekomen, maar Hij is waarachtig, Die Mij gezonden heeft, Wie u niet kent.
29Maar Ik ken Hem; want Ik ben van Hem, en Hij heeft Mij gezonden.
30Zij zochten Hem dan te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem; want Zijn uur was nog niet gekomen.
31En velen uit de menigte geloofden in Hem, en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook meer tekenen doen dan die, welke Deze gedaan heeft?
32De Farizeeën hoorden, dat de menigte dit van Hem murmelde; en de Farizeeën en de overpriesters zonden dienaren, opdat zij Hem grijpen zouden.
33Jezus dan zei tot hen: Nog een kleine tijd ben Ik bij u, en Ik ga heen tot Degene, Die Mij gezonden heeft.
34U zult Mij zoeken, en u zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt u niet komen.
35De Joden dan zeiden tot elkaar: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leren?
36Wat is dit voor een rede, die Hij gezegd heeft: U zult Mij zoeken, en zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt u niet komen?
37En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die komt tot Mij en drinkt.
38Die in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van het levende water zullen uit zijn buik vloeien.
39(En dit zei Hij van de Geest, Die ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.)
40Velen dan uit de menigte, deze rede horende, zeiden: Deze is werkelijk de Profeet.
41Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galilea komen?
42Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit het zaad van David, en van de plaats Bethlehem, waar David was?
43Er werd dan tweedracht onder de menigte, om Zijnentwil.
44En sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar niemand sloeg de handen aan Hem.
45De dienaren dan kwamen tot de overpriesters en Farizeeën; en die zeiden tot hen: Waarom hebt u Hem niet gebracht?
46De dienaren antwoordden: Nooit heeft een mens zo gesproken, zoals deze Mens.
47De Farizeën dan antwoordden hun: Bent ook u verleid?
48Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeeën?
49Maar deze menigte, die de wet niet weet, is vervloekt.
50Nicodemus zei tot hen, die in de nacht tot Hem gekomen was, zijnde één uit hen:
51Oordeel ook onze wet de mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat, wat hij doet?
52Zij antwoordden en zeiden tot hem: Bent u ook uit Galilea? Onderzoek en zie, dat uit Galilea geen profeet opgestaan is.
53En ieder ging heen naar zijn huis.