BijbelJohannes

Johannes 8

Lees Johannes 8 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Christus leert 's morgens vroeg in de tempel. 3 Waar de schriftgeleerden en Farizeeën een vrouw die op overspel betrapt was tot hem brengen. 7 Maar hij maakt hen in hun voornemen beschaamd door op de aarde te schrijven, en laat de vrouw gaan met een vermaning. 12 Leert dat hij het licht van de wereld is. 13 En verdedigt zich tegen de Farizeeën met zowel zijn eigen als zijn Vaders getuigenis. 21 Zegt de Joden aan dat zij hem tevergeefs zoeken zullen en in hun zonden sterven als zij niet in hem geloven. 25 Verklaart wie hij is en door wie hij gezonden is. 31 Belooft degenen die in hem geloven kennis van de waarheid en vrijheid van de slavernij van de zonde. 37 Bewijst dat de ongelovige Joden zich ten onrechte beriepen dat zij kin deren van Abraham en van God waren, en zegt hun aan dat zij kin deren van de duivel zijn, omdat zij zijn begeerten vervullen. 46 Bestraft hun ongeloof. 48 Waarop zij hem voor een Samaritaan schelden die de duivel heeft. 49 Wat hij ontkent en weerlegt. 56 En getuigt dat Abraham zijn dag gezien heeft, en dat hij geweest is eer Abraham was. 59 Waarom zij hem willen stenigen.

1Maar Jezus ging naar de Olijfberg.

2En vroeg in de morgen kwam Hij opnieuw in de tempel, en al het volk kwam tot Hem; en nedergezeten zijnde, leerde Hij hen.

3En de Schriftgeleerden en de Farizeeën brachten tot Hem een vrouw, in overspel gegrepen.

4En haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot Hem: Meester, deze vrouw is op de daad zelf gegrepen, overspel begaande.

5En Mozes heeft ons in de wet geboden, dat zulke gestenigd zullen worden; U dan, wat zegt U?

6En dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen. Maar Jezus, neerbuigend, schreef met de vinger in de aarde.

7En als zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op, en zei tot hen: Die van u zonder zonde is, werpe eerst de steen op haar.

8En opnieuw neerbuigend, schreef Hij in de aarde.

9Maar zij, dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen uit, de één na de andere, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen gelaten; en de vrouw in het midden staande.

10En Jezus, Zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zei tot haar: Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld?

11En zij zei: Niemand, Heere! En Jezus zei tot haar: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer.

12Jezus dan sprak opnieuw tot hen, zeggende: Ik ben het licht van de wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.

13De Farizeeën dan zeiden tot Hem: U getuigt van Uzelf; Uw getuigenis is niet waarachtig.

14Jezus antwoordde, en zei tot hen: Hoewel Ik van Mijzelf getuig, zo is toch Mijn getuigenis waarachtig; want Ik weet, vanwaar Ik gekomen ben, en waar Ik heenga; maar u weet niet, vanwaar Ik kom, en waar Ik heenga.

15U oordeelt naar het vlees; Ik oordeel niemand.

16En als Ik ook oordeel, Mijn oordeel is waarachtig; want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader, Die Mij gezonden heeft.

17En er is ook in uw wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is.

18Ik ben het, Die van Mijzelf getuig, en de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij.

19Zij dan zeiden tot Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: U kent noch Mij, noch Mijn Vader; als u Mij kende, zo zou u ook Mijn Vader kennen.

20Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, lerende in de tempel; en niemand greep Hem; want Zijn uur was nog niet gekomen.

21Jezus dan zei opnieuw tot hen: Ik ga heen, en u zult Mij zoeken, en in uw zonden zult u sterven; waar Ik heenga, kunt u niet komen.

22De Joden dan zeiden: Zal Hij ook Zichzelf doden, omdat Hij zegt: Waar Ik heenga, kunt u niet komen?

23En Hij zei tot hen: U bent van beneden, Ik ben van boven; u bent uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld.

24Ik heb u dan gezegd, dat u in uw zonden zult sterven; want als u niet gelooft, dat Ik Die ben, u zult in uw zonden sterven.

25Zij zeiden dan tot Hem: Wie bent U? En Jezus zei tot hen: Wat Ik van de beginne u ook zeg.

26Ik heb vele dingen van u te zeggen en te oordelen; maar Die Mij gezonden heeft, is waarachtig; en de dingen, die Ik van Hem gehoord heb, deze spreek Ik tot de wereld.

27Zij verstonden niet, dat Hij hun van de Vader sprak.

28Jezus dan zei tot hen: Wanneer u de Zoon des mensen zult verhoogd hebben, dan zult u verstaan, dat Ik Die ben, en dat Ik van Mijzelf niets doe; maar deze dingen spreek Ik, zoals Mijn Vader Mij geleerd heeft.

29En Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is.

30Als Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem.

31Jezus dan zei tot de Joden, die in Hem geloofden: Als u in Mijn woord blijft, zo bent u werkelijk Mijn discipelen;

32En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.

33Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt U dan: U zult vrij worden?

34Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een ieder, die de zonde doet, is een dienaar van de zonde.

35En de dienaar blijft niet eeuwig in het huis, de zoon blijft er eeuwig.

36Als dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult u werkelijk vrij zijn.

37Ik weet, dat u Abrahams zaad bent; maar u zoekt Mij te doden; want Mijn woord heeft in u geen plaats.

38Ik spreek wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; u doet dan ook, wat u bij uw vader gezien hebt.

39Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zei tot hen: Als u Abrahams kinderen was, zo zou u de werken van Abraham doen.

40Maar nu zoekt u Mij te doden, een Mens, Die u de waarheid gesproken heb, die Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet.

41U doet de werken van uw vader. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben een Vader, namelijk God.

42Jezus dan zei tot hen: Als God uw Vader was, zo zou u Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan; en kom van Hem. Want Ik ben ook van Mijzelf niet gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.

43Waarom kent u Mijn spraak niet? Het is, omdat u Mijn woord niet kunt horen.

44U bent uit de vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van de beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader van die leugen.

45Maar Mij, omdat Ik u de waarheid zeg, gelooft u niet.

46Wie van u overtuigt Mij van zonde? En als Ik de waarheid zeg, waarom gelooft u Mij niet?

47Die uit God is, hoort de woorden van God; daarom hoort u niet, omdat u uit God niet bent.

48De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat U een Samaritaan bent, en de duivel hebt?

49Jezus antwoordde: Ik heb de duivel niet; maar Ik eer Mijn Vader, en u onteert Mij.

50Maar Ik zoek Mijn eer niet; er is Een, Die ze zoekt en oordeelt.

51Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in de eeuwigheid.

52De Joden dan zeiden tot Hem: Nu bekennen wij, dat U de duivel hebt. Abraham is gestorven, en de profeten; en zegt U: Zo iemand Mijn woord bewaard zal hebben, die zal de dood niet smaken in de eeuwigheid?

53Bent U meerder, dan onze vader Abraham, die gestorven is, en de profeten zijn gestorven; wie maakt U Uzelf?

54Jezus antwoordde: Als Ik Mijzelf eer, zo is Mijn eer niets; Mijn Vader is het, Die Mij eer, Wie u zegt, dat uw God is.

55En u kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en als Ik zeg, dat Ik Hem niet ken, zo zal Ik u gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar Ik ken Hem, en bewaar Zijn woord.

56Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest.

57De Joden dan zeiden tot Hem: U hebt nog geen vijftig jaren, en hebt U Abraham gezien?

58Jezus zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Voordat Abraham was, ben Ik.

59Zij namen dan stenen op, dat zij ze op Hem wierpen. Maar Jezus verborg Zich, en ging uit de tempel, gaande door het midden van hen; en ging zo voorbij.