BijbelJohannes

Johannes 9

Lees Johannes 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Christus bestrijkt de ogen van een blindgeborene met slijk op een sabbat, en beveelt hem zijn ogen te wassen in het water Siloam, en maakt hem ziende. 8 Wat de blin de aan zijn buren, die ernaar vroegen, verhaalt. 13 En wordt gebracht tot de Farizeeën, wie hij hetzelfde vertelt. 16 Die Christus lasteren als een sabbatschender, en betwijfelen of deze man blind geweest was. 18 En daarom zijn ouders ontbieden, die wel erkennen dat hij blind geboren was, maar zich verder beroepen op het getuigenis van hun zoon. 24 Die zij andermaal roepen en ondervragen. 27 Die hun antwoordt en uit dit werk betuigt dat Christus geen zondaar is, maar van God. 34 En wordt daarvoor smadelijk door hen buitengeworpen. 35 De blin de, door Christus nader onderricht, gelooft in hem en aanbidt hem. 40 Christus zegt de Farizeeën aan dat zij geestelijk blind zijn, en dat zij daarom in de zonde blijven omdat zij dat niet erkennen.

1En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af.

2En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden?

3Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is gebeurd, opdat de werken van God in hem zouden geopenbaard worden.

4Ik moet werken de werken Van Degene, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.

5Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik het Licht van de wereld.

6Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de ogen van de blinde;

7En zei tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (dat overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en waste zich, en kwam ziende.

8De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde?

9Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zei: Ik ben het.

10Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de ogen geopend?

11Hij antwoordde en zei: De Mens, genoemd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijn ogen, en zei tot mij: Ga heen naar het badwater Siloam, en was u. En ik ging heen, en waste mij, en ik werd ziende.

12Zij dan zeiden tot hem: Waar is Die? Hij zei: Ik weet het niet.

13Zij brachten hem tot de Farizeeën, hem namelijk, die te voren blind geweest was.

14En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijn ogen opende.

15De Farizeeën dan vraagden hem ook opnieuw, hoe hij ziende geworden was. En hij zei tot hen: Hij legde slijk op mijn ogen, en ik waste mij, en ik zie.

16Sommigen dan uit de Farizeeën zeiden: Deze Mens is van God niet, want Hij houdt de sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mens, die een zondaar is, zulke tekenen doen? En er was tweedracht onder hen.

17Zij zeiden opnieuw tot de blinde: U, wat zegt u van Hem; omdat Hij uw ogen geopend heeft? En hij zei: Hij is een Profeet.

18De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind geweest was, en ziende was geworden, voordat zij geroepen hadden de ouders van degene, die ziende geworden was.

19En zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, wie u zegt, dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?

20Zijn ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten, dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is;

21Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet; hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelf; hij zal van zichzelf spreken.

22Dit zeiden zijn ouders, omdat zij de Joden vreesden; want de Joden hadden al samen een besluit gemaakt, zo iemand Hem beleed Christus te zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden.

23Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelf.

24Zij dan riepen voor de tweede maal de mens, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eer; wij weten, dat deze Mens een zondaar is.

25Hij dan antwoordde en zei: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie.

26En zij zeiden opnieuw tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?

27Hij antwoordde hun: Ik heb het u al gezegd, en u hebt het niet gehoord; wat wilt u het opnieuw horen? Wilt u ook Zijn discipelen worden?

28Zij gaven hem dan scheldwoorden, en zeiden: U bent Zijn discipel; maar wij zijn discipelen van Mozes.

29Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar Deze weten wij niet, vanwaar Hij is.

30De mens antwoordde, en zei tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat u niet weet, vanwaar Hij is, en toch heeft Hij mijn ogen geopend.

31En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij.

32Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft.

33Als Deze van God niet was, Hij zou niets kunnen doen.

34Zij antwoordden, en zeiden tot hem: U bent geheel in zonden geboren, en leert u ons? En zij wierpen hem uit.

35Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende, zei Hij tot hem: Gelooft u in de Zoon van God?

36Hij antwoordde en zei: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem mag geloven?

37En Jezus zei tot Hem: En u hebt Hem gezien, en Die met u spreekt, Deze is het.

38En hij zei: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem.

39En Jezus zei: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden.

40En dit hoorden enige uit de Farizeeën, die bij Hem waren, en zeiden tot Hem: Zijn wij dan ook blind?

41Jezus zei tot hen: Als u blind was, zo zou u geen zonde hebben; maar nu zegt u: Wij zien; zo blijft dan uw zonde.