BijbelJozua

Jozua 10

Lees Jozua 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Vijf koningen van de Kanaanieten verbinden zich samen om Gibeon te gaan belegeren, vers 1 enzovoort. De inwoners van Gibeon vragen hulp aan Jozua, 6. Hij trekt op met zijn leger, 7, overvalt hen onverwacht, 9, en verslaat hen, 10. De Heere werpt hagelstenen op hen, 11. De zon en de maan blijven ongeveer een dag stilstaan op het verzoek van Jozua, 13. De vijf koningen verbergen zich in de grot bij Makkeda, 16. Jozua laat hen daarin opsluiten, 18. Hij laat hen eruit halen, 22, en in tegenwoordigheid van iedereen met voeten treden, 24. Daarna laat hij hen ophangen, 26, en in de grot te Makkeda werpen, 27. Jozua neemt Makkeda in en verbrandt zijn koning met de stad en alles wat erin was, 28. Hij trekt naar Libna en verovert het, 29, vandaar naar Lachis en verovert het, 31. Koning Horam wordt verslagen, 33. Eglon wordt ingenomen, 34. Hebron wordt ingenomen, 36, evenzo Debir, 38, en het hele land, 40. Jozua keert terug naar Gilgal, 43.

1Het gebeurde nu, toen Adoni-zedek, de koning van Jeruzalem, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen, en haar verbannen had, en aan Ai en haar koning zo gedaan had, zoals hij aan Jericho en haar koning gedaan had; en dat de inwoners van Gibeon vrede met Israël gemaakt hadden, en in hun midden waren;

2Zo vreesden zij zeer; want Gibeon was een grote stad, als één van de koninklijke steden; ja, zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren sterk.

3Daarom zond Adoni-zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, de koning van Hebron, en tot Pir-am, de koning van Jarmuth, en tot Jafia, de koning van Lachis, en tot Debir, de koning van Eglon, zeggende:

4Kom op tot mij, en helpt mij, dat wij Gibeon slaan; omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua en met de Israëlieten.

5Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen van de Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en streden tegen haar.

6De mannen nu van Gibeon zonden tot Jozua, in het leger van Gilgal, zeggende: Trek uw handen niet af van uw knechten, kom haastig tot ons op, en verlos ons, en help ons; want al de koningen van de Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons verzameld.

7Toen trok Jozua op van Gilgal, hij en al de soldaten met hem, en alle strijdbare helden.

8Want JAHWEH had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uw hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan.

9Zo kwam Jozua snel tot hen; de gehele nacht over was hij van Gilgal opgetrokken.

10En JAHWEH verschrikte hen voor het aangezicht van Israël; en hij sloeg hen met een grote slag te Gibeon, en vervolgde hen op de weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.

11Het gebeurde nu, toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in de afgang van Beth-horon, zo wierp JAHWEH grote stenen op hen van de hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de Israëlieten met het zwaard doodden.

12Toen sprak Jozua tot JAHWEH, op de dag als JAHWEH de Amorieten voor het aangezicht van de Israëlieten overgaf, en zei voor de ogen van de Israëlieten: Zon, sta stil te Gibeon, en u, maan, in het dal van Ajalon!

13En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek van de oprechten? De zon nu stond stil in het midden van de hemel, en haastte niet onder te gaan ongeveer een volkomen dag.

14En er was geen dag aan deze gelijk, voor hem noch na hem, dat JAHWEH de stem van een man zo verhoorde; want JAHWEH streed voor Israël.

15Toen keerde Jozua weer, en geheel Israël met hem, naar het leger te Gilgal.

16Maar die vijf koningen waren gevlucht, en hadden zich verborgen in de grot bij Makkeda.

17En aan Jozua werd geboodschapt, mits te zeggen: Die vijf koningen zijn gevonden, verborgen in de grot bij Makkeda.

18Zo zei Jozua: Wentelt grote stenen voor de mond van de grot, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren.

19Maar staat u niet stil, jaagt uw vijanden achterna, en slaat hen in de staart; laat hen in hun steden niet komen; want JAHWEH, uw God, heeft ze in uw hand gegeven.

20En het gebeurde, toen Jozua en de Israëlieten geëindigd hadden hen met een zeer grote slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in de versterkte steden gekomen waren;

21Zo keerde al het volk tot Jozua in het leger, bij Makkeda, in vrede; niemand had zijn tong tegen de Israëlieten geroerd.

22Daarna zei Jozua: Open de mond van de grot, en brengt tot mij uit die vijf koningen, uit die grot.

23Zij nu deden zo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de grot: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon.

24En het gebeurde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua al de mannen van Israël, en hij zei tot de oversten van het oorlogsvolk, die met hem getrokken waren: Treed toe, zet uw voeten op de halzen van deze koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun halzen.

25Toen zei Jozua tot hen: Vrees niet en ontzet u niet, wees sterk en hebt goede moed; want zo zal JAHWEH aan al uw vijanden doen, tegen wie u strijdt.

26En Jozua sloeg hen daarna, en doodde ze, en hing ze aan vijf palen; en zij hingen aan de palen tot de avond.

27En het gebeurde, ten tijde als de zon onderging, beval Jozua, dat men hen van de palen afname, en zij wierpen hen in de grot, waar zij verborgen geweest waren; en zij legden grote stenen voor de mond van de grot, die daar zijn tot op deze dag.

28Op dezelfde dag nam ook Jozua Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte van het zwaard; daartoe verbande hij haar koning, hen en alle ziel die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed de koning van Makkeda, zoals hij de koning van Jericho gedaan had.

29Toen trok Jozua door, en geheel Israël met hem, van Makkeda naar Libna, en hij streed tegen Libna.

30En JAHWEH gaf die ook in de hand van Israël, met haar koning; en hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was; hij liet daarin geen overigen overblijven; en hij deed haar koning, zoals hij de koning van Jericho gedaan had.

31Toen trok Jozua voort, en geheel Israël met hem, van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en streed tegen haar.

32En JAHWEH gaf Lachis in de hand van Israël; en hij nam haar in op de tweede dag, en hij sloeg haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was, naar alles, wat hij Libna gedaan had.

33Toen trok Horam, de koning van Gezer, op, om Lachis te helpen; maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geen overigen overliet.

34En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en geheel Israël met hem; en zij belegerden haar en streden tegen haar.

35En zij namen haar in op diezelfde dag, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en alle ziel, die daarin was, verbande hij op dezelfde dag, naar alles, wat hij aan Lachis gedaan had.

36Daarna trok Jozua op, en geheel Israël met hem; van Eglon naar Hebron, en zij streden tegen haar.

37En zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte van het zwaard, zo haar koning als al haar steden, en alle ziel, die daarin was; hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles, wat hij Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alle ziel, die daarin was.

38Toen keerde Jozua, en geheel Israël met hem, naar Debir, en hij streed tegen haar.

39En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte van het zwaard, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; zoals hij aan Hebron gedaan had, zo deed hij aan Debir en haar koning, en zoals hij aan Libna en haar koning gedaan had;

40Zo sloeg Jozua het hele land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen van de wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, zoals JAHWEH, de God van Israël, geboden had.

41En Jozua sloeg hen van Kades-barnea en tot Gaza toe; ook het hele land Gosen, en tot Gibeon toe.

42En Jozua nam al deze koningen en hun land op eenmaal; want JAHWEH, de God van Israël, streed voor Israël.

43Toen keerde Jozua weer, en geheel Israël met hem, naar het leger te Gilgal.