BijbelJozua

Jozua 12

Lees Jozua 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Een kort verslag of register van de koningen en hun rijken die door de Israelieten zijn verslagen, zodat zij hun land als erfdeel zouden bezitten: eerst ten tijde van Mozes aan de overzijde van de Jordaan, vers 1 enzovoort, daarna door Jozua aan deze zijde van de Jordaan, 7, samen eenendertig koningen, 24.

1Dit nu zijn de koningen van het land, die de Israëlieten geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan de overzijde van de Jordaan, tegen de opgang van de zon; van de beek Arnon af tot de berg Hermon, en het hele vlakke veld tegen het oosten:

2Sihon, de koning van de Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroër af heerste, die aan de oever van de beek Arnon is, en over het midden van de beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de grens van de kinderen Ammons;

3En over het vlakke veld tot aan de zee van Cinneroth tegen het oosten, en tot aan de zee van het vlakke veld, de Zoutzee, tegen het oosten, op de weg naar Beth-Jesimoth; en van het zuiden beneden Asdoth-Pisga.

4Daartoe de grens van Og, de koning van Bazan, die van het overblijfsel van de reuzen was, wonende te Astharoth en te Edreï.

5En heerste over de berg Hermon, en over Salcha, en over geheel Bazan, tot aan de grens van de Gezurieten, en van de Maächathieten; en de helft van Gilead, de grens van Sihon, de koning van Hesbon.

6Mozes, de knecht van JAHWEH, en de Israëlieten sloegen hen, en Mozes, de knecht van JAHWEH, gaf aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan de halve stam van Manasse, dat land tot een erfelijke bezitting.

7Dit nu zijn de koningen van het land, die Jozua sloeg, en de Israëlieten, aan deze zijde van de Jordaan tegen het westen, van Baäl-gad aan, in het dal van de Libanon, en tot aan de kale berg, die naar Seïr opgaat; en Jozua gaf het aan de stammen van Israël tot een erfelijke bezitting, naar hun afdelingen.

8Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de aflopingen van de wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten.

9De koning van Jericho, één; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, één;

10De koning van Jeruzalem, één; de koning van Hebron, één;

11De koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één;

12De koning van Eglon, één; de koning van Gezer, één;

13De koning van Debir, één; de koning van Geder, één;

14De koning van Horma, één; de koning van Harad, één;

15De koning van Libna, één; de koning van Adullam, één;

16De koning van Makkeda, één; de koning van Beth-El, één;

17De koning van Tappuah, één; de koning van Hefer, één;

18De koning van Afek, één; de koning van Lassaron, één;

19De koning van Madon, één; de koning van Hazor, één;

20De koning van Simron-Meron, één; de koning van Achsaf, één;

21De koning van Taänach, één; de koning van Megiddo, één;

22De koning van Kedes, één, de koning van Jokneam, aan de Karmel, één;

23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, één; de koning van de heidenen te Gilgal, één;

24De koning van Thirza, één. Al deze koningen zijn één en dertig.