BijbelJozua

Jozua 15

Lees Jozua 15 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

De grenzen van het erfdeel van de stam Juda, vers 1 enzovoort, en daaronder Kirjath-Arba, het erfdeel van Kaleb, 13, die de drie zonen van Enak daaruit verdreven heeft, 14. Kaleb belooft hem die Kirjath-Sefer zou verslaan zijn dochter Achsa te geven, 16, wat Othniel gedaan heeft, 17. Zij verzoekt haar vader om enig land als bruidsschat, 18, wat hij haar geeft, 19. Hierbij wordt het register gevoegd van de steden die in de stam Juda gelegen zijn, 20. De kinderen van Juda konden de Jebusieten niet uit Jeruzalem verdrijven, 63.

1En het lot voor de stam van de kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de grens van Edom, de woestijn Zin, naar het zuiden, was het uiterste tegen het zuiden;

2Zodat hun gebied, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was; van de tong af, die tegen het zuiden ziet;

3En zij gaat uit naar het zuiden tot de opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnea, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaä;

4En gaat door naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen van deze grens zullen naar de zee zijn. Dit zal uw gebied tegen het zuiden zijn.

5De grens nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de grens, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong van de zee, van het uiterste van de Jordaan.

6En deze grens zal opgaan tot Beth-Hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-Araba; en deze grens zal opgaan tot de steen van Bohan, de zoon van Ruben.

7Verder zal deze grens opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal naar het noorden zien naar Gilgal, dat tegen de opgang van Adummim is, die aan het zuiden van de beek is. Daarna zal deze grens doorgaan tot het water van En-Semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-Rogel.

8En deze grens zal opgaan door het dal van de zoon van Hinnom, aan de zijde van de Jebusiet van het zuiden, die is Jeruzalem; en deze grens zal omhoog gaan tot de spits van de berg, die voor aan het dal van Hinnom is, naar het westen, dat in het uiterste van het dal van de Refaïeten is, tegen het noorden.

9Daarna zal deze grens strekken van de hoogte van de berg tot aan de waterfontein Nefthoah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze grens strekken naar Baäla; deze is Kirjath-Jearim.

10Daarna zal deze grens zich omkeren van Baäla tegen het westen, naar het gebergte Seïr, en zal doorgaan aan de zijde van de berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Semes, en door Timna gaan.

11Verder zal deze grens uitgaan aan de zijde van Ekron, naar het noorden, en deze grens zal strekken naar Sichron aan, en over de berg Baäla gaan, en uitgaan te Jabneël; en de uitgangen van deze grens zullen zijn naar de zee.

12De grens nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en zijn gebied. Dit is de grens van de kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen.

13Maar aan Kaleb, de zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden van de kinderen van Juda, naar de mond van JAHWEH tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.

14En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak.

15En vandaar trok hij omhoog tot de inwoners van Debir (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).

16En Kaleb zei: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, die zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.

17Othniël nu, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.

18En het gebeurde, als zij tot hem kwam, zo porde zij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en zij sprong van de ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u?

19En zij zei: Geef mij een zegen; omdat u mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook bronnen. Toen gaf hij haar hoge bronnen en lage bronnen.

20Dit is het erfdeel van de stam van de kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen.

21De steden nu, van het uiterste van de stam van de kinderen van Juda tot de grens van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kabzeël, en Eder, en Jagur,

22En Kina, en Dimona, en Adada,

23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,

24Zif, en Telem, en Bealoth,

25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, (dat is Hazor).

26Amam, en Sema, en Molada,

27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,

28En Hazar-Sual, en Beër-Seba, en Biz-Jotheja,

29Baäla, en Ijim, en Azem,

30En Eltholad, en Chesil, en Horma,

31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,

32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.

33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,

34En Zanoah, en En-Gannim, Tappuah, en Enam,

35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,

36En Saäraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.

37Zenan, en Hadasa, en Migdal-Gad,

38En Dilan, en Mizpa, en Jokteël,

39Lachis, en Bozkath, en Eglon,

40En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis,

41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naäma, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.

42Libna, en Ether, en Asan,

43En Jiftah, en Asna, en Nezib,

44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen;

45Ekron, en haar bijbehorende plaatsen, en haar dorpen.

46Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen;

47Asdod, haar bijbehorende plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar bijbehorende plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en haar gebied.

48Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,

49En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,

50En Anab, en Estemo, en Anim,

51En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.

52Arab, en Duma, en Esan,

53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,

54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.

55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,

56En Jizreël, en Jokdeam, en Zanoah,

57Kaïn, Gibeä, en Timna; tien steden en haar dorpen.

58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,

59En Maärath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.

60Kirjath-Baäl, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.

61In de woestijn: Beth-Araba, Middin en Sechacha,

62En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen.

63Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; zo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot deze dag toe.