BijbelJozua

Jozua 17

Lees Jozua 17 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Het erfdeel van de stam Manasse aan deze zijde van de Jordaan, vers 1 enzovoort. Aan de vijf dochters van Zelafead wordt op hun verzoek een erfdeel gegeven, 3. De grens van Manasse wordt nader beschreven, 7, en de Kanaanieten die daar niet verdreven zijn, worden schatplichtig gemaakt, 12. Toen de kinderen van Jozef klaagden dat hun gebied te krap was, 14, wijst Jozua hun een manier aan om hun gebied uit te breiden, 15, wat hun niet bevalt, 16, maar Jozua belooft hun de overwinning over de Kanaanieten, 17.

1De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een soldaat was, zo had hij Gilead en Bazan.

2Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiezer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, de zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen.

3Zelafead nu, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen van zijn dochters: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.

4Deze dan traden toe voor het aangezicht van Eleazar, de priester, en voor het aangezicht van Jozua, de zoon van Nun, en voor het aangezicht van de oversten, zeggende: JAHWEH heeft Mozes geboden, dat men ons een erfdeel geven zou in het midden van onze broers. Daarom gaf hij haar, naar de mond van JAHWEH, een erfdeel in het midden van de broers van haar vader.

5En aan Manasse vielen tien snoeren toe, naast het land Gilead en Bazan, dat aan de overzijde van de Jordaan is.

6Want de dochters van Manasse erfden een erfdeel in het midden van zijn zonen; en het land Gilead hadden de overgebleven kinderen van Manasse.

7Zodat de grens van Manasse was van Aser af tot Michmetath, die voor aan Sichem is; en deze grens gaat ter rechterhand tot aan de inwoners van En-Tappuah.

8Manasse had wel het land van Tappuah, maar Tappuah zelf, aan de grens van Manasse, hadden de kinderen van Efraïm.

9Daarna komt de grens af naar de beek Kana tegen het zuiden van de beek. Deze steden zijn van Efraïm in het midden van de steden van Manasse; en de grens van Manasse is aan het noorden van de beek, en haar uitgangen zijn aan de zee.

10Het was van Efraïm tegen het zuiden, en tegen het noorden was het van Manasse, en de zee was zijn gebied; en aan het noorden stootten zij aan Aser, en aan het oosten aan Issaschar.

11Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar bijbehorende plaatsen, en Jibleam en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te Dor en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te Thaänach en haar bijbehorende plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar bijbehorende plaatsen: drie landstreken.

12En de kinderen van Manasse konden de inwoners van die steden niet verdrijven; want de Kanaänieten wilden in hetzelfde land wonen.

13En het gebeurde, als de Israëlieten sterk werden, zo maakten zij de Kanaänieten schatplichtig; maar zij verdreven hen niet geheel.

14Toen spraken de kinderen van Jozef tot Jozua, zeggende: Waarom hebt u mij als erfdeel maar een lot en een deel gegeven, daar ik toch een groot volk ben, voor zoveel JAHWEH mij dus verre gezegend heeft?

15Jozua nu zei tot hen: Omdat u een groot volk bent, zo ga op naar het woud, en houw daar voor u af in het land van de Ferezieten en van de Refaieten, omdat u het gebergte van Efraïm te nauw is.

16Toen zeiden de kinderen van Jozef: Dat gebergte zou ons niet genoegzaam zijn; er zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaänieten, die in het land van het dal wonen, bij die te Beth-Sean en haar bijbehorende plaatsen, en die in het dal van Jizreël zijn.

17Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraïm en tot Manasse, zeggende: U bent een groot volk, en u hebt grote kracht, u zult geen één lot hebben;

18Maar het gebergte zal het uwe zijn; en omdat het een woud is, zo houw het af, zo zullen zijn uitgangen de uwe zijn; want u zult de Kanaänieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk.