Jozua 2
Lees Jozua 2 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Jozua zendt twee mannen uit om het land Kanaan en Jericho te verkennen, vers 1 enzovoort, die de koning van die stad laat zoeken, 3, maar Rachab verbergt hen, 4, en misleidt op listige wijze de boden van de koning, 5. Zij verhaalt de grote ontzetting van het volk van die stad en dat land, en verklaart dat dit van God de Heere kwam, 9. Zij verzoekt dat de Israelieten haar en het huis van haar vader in leven willen laten, 12, wat de verkenners haar onder ede beloven, maar met een voorwaarde, 14. Daarna keren zij terug naar Jozua, 23, en brengen hem goede tijding, 24.
1Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die in het geheim spioneren zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Ga heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen in het huis van een vrouw, een hoer, van wie de naam was Rachab, en zij sliepen daar.
2Toen werd de koning te Jericho geboodschapt, zeggende: Zie, in deze nacht zijn hier mannen gekomen van de Israëlieten, om dit land te doorzoeken.
3Daarom zond de koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit, die tot u gekomen zijn, die in uw huis gekomen zijn; want zij zijn gekomen, om het hele land te doorzoeken.
4Maar die vrouw had die beide mannen genomen, en zij had hen verborgen; en zei zo: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet, vanwaar zij waren.
5En het gebeurde, als men de poort zou sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn; jaag hen haastig na, want u zult ze achterhalen.
6Maar zij had hen op het dak doen klimmen, en zij had hen verstopt onder de vlasstoppelen, die van haar op het dak beschikt waren.
7Die mannen nu jaagden hen na op de weg van de Jordaan, tot aan de doorwaadbare plaatsen; en men sloot de poort toe, nadat zij uitgegaan waren, die hen najaagden.
8Voordat zij nu sliepen, zo klom zij tot hen op, op het dak.
9En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat JAHWEH u dit land gegeven heeft, en dat uw verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land voor uw aangezicht gesmolten zijn.
10Want wij hebben gehoord, dat JAHWEH de wateren van de Schelfzee uitgedroogd heeft voor uw aangezicht, toen u uit Egypte ging; en wat u aan de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die aan de overzijde van de Jordaan waren, die u verbannen hebt.
11Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege uw aanwezigheid; want JAHWEH, uw God, is een God boven in de hemel, en beneden op de aarde.
12Nu dan, zweert mij toch bij JAHWEH, omdat ik goedertierenheid aan u gedaan heb, dat u ook goedertierenheid doen zult aan het huis van mijn vader, en geeft mij een waarteken,
13Dat u mijn vader en mijn moeder in het leven zult behouden, als ook mijn broers en mijn zussen, met alles, wat zij hebben; en dat u onze zielen van de dood redden zult.
14Toen spraken die mannen tot haar: Onze ziel zij voor u om te sterven, als u deze onze zaak niet te kennen geeft; het zal dan gebeuren, wanneer JAHWEH ons dit land geeft, zo zullen wij aan u goedertierenheid en trouw bewijzen.
15Zij liet hen dan neer met een touw door het venster; want haar huis was op de stadsmuur; en zij woonde op de muur.
16En zij zei tot hen: Ga op het gebergte, opdat niet misschien de vervolgers u ontmoeten, en verbergt u daar drie dagen, totdat de vervolgers teruggekeerd zullen zijn; en gaat daarna uw weg.
17Ook zeiden die mannen tot haar: Wij zullen onschuldig zijn van deze uw eed, die u ons hebt doen zweren;
18Zie, wanneer wij in het land komen, zo zult u dit snoer van scharlakendraad aan het venster binden, waardoor u ons zult neergelaten hebben; en u zult tot u in het huis verzamelen uw vader, en uw moeder, en uw broers, en het hele huisgezin van uw vader.
19Zo zal het gebeuren, al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaan zal, zijn bloed zij op zijn hoofd, en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, als een hand tegen hem zijn zal!
20Maar als u deze onze zaak te kennen zult geven, zo zullen wij onschuldig zijn van uw eed, die u ons hebt doen zweren.
21Zij nu zei: Het zij zo naar uw woorden. Toen liet zij hen gaan; en zij gingen heen; en zij bond het scharlakensnoer aan het venster.
22Zij dan gingen heen, en kwamen op het gebergte, en bleven daar drie dagen, totdat de vervolgers teruggekeerd waren; want de vervolgers hadden hen op de hele weg gezocht, maar niet gevonden.
23Zo keerden die twee mannen weer, en gingen af van het gebergte, en voeren over, en kwamen tot Jozua, de zoon van Nun; en zij vertelden hem al wat hun overkomen was.
24En zij zeiden tot Jozua: Zeker, JAHWEH heeft dat hele land in onze handen gegeven; want ook zijn al de inwoners van het land voor onze aangezichten gesmolten.