Jozua 24
Lees Jozua 24 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Jozua verzamelt alle stammen van Israel te Sichem, vers 1 enzovoort. Hij brengt hun de weldaden van God in herinnering die aan hun vaderen en aan henzelf bewezen waren, 2. Daarom vermaant hij hen die ene ware God alleen trouw te dienen, 14, waarbij hij voor zichzelf en zijn huis een verklaring aflegt, 15. Het volk belooft ook tot viermaal toe te zullen volharden in de oprechte godsdienst, 16. Jozua vernieuwt het verbond van de HEERE met het volk, 25. Hij schrijft dit in het wetboek van de HEERE en richt een grote steen op ter gedachtenis daarvan, 26. De dood, ouderdom en begrafenis van Jozua, 29. De begraving van de beenderen van Jozef, 32. De dood en begraving van Eleazar, 33.
1Daarna verzamelde Jozua al de stammen van Israël te Sichem, en hij riep de oudsten van Israël, en zijn hoofden, en zijn richters, en zijn voormannen; en zij stelden zich voor het aangezicht van God.
2Toen zei Jozua tot het hele volk: Zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.
3Toen nam Ik uw vader Abraham van de overzijde van de rivier, en deed hem wandelen door het hele land Kanaän; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak.
4En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau; en Ik gaf aan Ezau het gebergte Seïr, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen trokken af in Egypte.
5Toen zond Ik Mozes en Aäron, en Ik plaagde Egypte, zoals Ik in zijn midden gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit.
6Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwam u aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaders na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee.
7Zij nu riepen tot JAHWEH, en Hij stelde een duisternis tussen u en tussen de Egyptenaars, en Hij bracht de zee over hen, en bedekte hen; en uw ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt u vele dagen in de woestijn gewoond.
8Toen bracht Ik u in het land van de Amorieten, die aan de overzijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en u bezat hun land erfelijk, en Ik vernietigde hen voor uw aangezicht.
9Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning van de Moabieten, en hij streed tegen Israël; en hij zond heen, en deed Bileam, de zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou.
10Maar Ik wilde Bileam niet horen; daarom zegende hij u gestadig, en Ik verloste u uit zijn hand.
11Toen u over de Jordaan getrokken was, en te Jericho kwam, zo streden de burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; maar Ik gaf hen in uw hand.
12En Ik zond horzels voor u heen; die dreven hen weg van uw aangezicht, [zoals] de beide koningen van de Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog.
13Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan u niet gewerkt hebt, en steden, die u niet gebouwd hebt, en u woont daarin; u eet van de wijngaarden en olijfbomen, die u niet geplant hebt.
14En nu, vreest JAHWEH, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan de overzijde van de rivier, en in Egypte; en dient JAHWEH.
15Maar zo het kwaad is in uw ogen JAHWEH te dienen, kiest u vandaag, wie u dienen zult; hetzij de goden, die uw vaders, die aan de andere zijde van de rivier waren, gediend hebben, of de goden van de Amorieten, in wier land u woont; maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen JAHWEH dienen!
16Toen antwoordde het volk en zei: Het zij verre van ons, dat wij JAHWEH verlaten zouden, om andere goden te dienen.
17Want JAHWEH is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaders uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebracht, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op de hele weg, waardoor wij getrokken zijn, en onder alle volken, door wier midden wij getrokken zijn.
18En JAHWEH heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs de Amoriet, inwoner van het land. Wij zullen ook JAHWEH dienen, want Hij is onze God.
19Toen zei Jozua tot het volk: U zult JAHWEH niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een jaloers God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven.
20Als u JAHWEH verlaten en vreemde goden dienen zult, zo zal Hij Zich omkeren, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u verdoen, naar dat Hij u goed gedaan zal hebben.
21Toen zei het volk tot Jozua: Nee, maar wij zullen JAHWEH dienen.
22Jozua nu zei tot het volk: U bent getuigen over uzelf, dat u zich JAHWEH gekozen hebt, om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen.
23En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot JAHWEH, de God van Israël.
24En het volk zei tot Jozua: Wij zullen JAHWEH, onze God, dienen, en wij zullen Zijn stem gehoorzamen.
25Zo maakte Jozua op die dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem.
26En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een grote steen, en hij richtte die daar op onder de eik, die bij het heiligdom van JAHWEH was.
27En Jozua zei tot het hele volk: Zie, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen van JAHWEH, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen u zijn, opdat u uw God niet liegt.
28Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel.
29En het gebeurde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht van JAHWEH, stierf, oud zijnde honderd en tien jaren.
30En zij begroeven hem in het gebied van zijn erfdeel, te Timnath-serah, die is op een berg van Efraïm, aan het noorden van de berg Gaas.
31Israël nu diende JAHWEH al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden, en die al het werk van JAHWEH wisten, dat Hij aan Israël gedaan had.
32Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de Israëlieten uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, dat Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, de vader van Sichem, voor honderd geldstukken, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden.
33Ook stierf Eleazar, de zoon van Aäron; en zij begroeven hem op de heuvel van Pinehas, zijn zoon, die hem gegeven was geweest op het gebergte van Efraïm.