Jozua 6
Lees Jozua 6 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
De HEERE geeft Jozua de stad Jericho in zijn hand, vers 1 enzovoort, maar eerst laat Hij de krijgslieden, evenals de ark en zeven priesters, zeven dagen lang rondom de stad gaan, 2. Op de zevende dag wordt de stad ingenomen, doordat de muur instort, 20. De Israelieten vallen van alle kanten binnen en vernietigen met het zwaard zowel mensen als vee, 21. Maar zij sparen Rachab met alles wat zij heeft, 22. De stad en alles wat erin is wordt verbrand, behalve het goud, zilver, koper en de ijzeren voorwerpen, 24. Jozua vervloekt de man die Jericho zou herbouwen, 26. God is met Jozua, 26.
1(Jericho nu sloot de poorten toe, en was gesloten, voor het aangezicht van de Israëlieten; er ging niemand uit, en er ging niemand in.)
2Toen zei JAHWEH tot Jozua: Zie, Ik heb Jericho met haar koning en strijdbare helden in uw hand gegeven.
3U dan allen, die soldaten bent, zult rondom de stad gaan, de stad omringende eenmaal; zo zult u doen zes dagen lang.
4En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark; en u zult op de zevende dag de stad zevenmaal omgaan; en de priesters zullen met de bazuinen blazen.
5En het zal gebeuren, als men langzaam met de ramshoorn blaast, als u het geluid van de bazuin hoort, zo zal al het volk juichen met een groot gejuich; dan zal de stadsmuur onder zich vallen, en het volk zal daarin klimmen, ieder tegenover zich.
6Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters, en zei tot hen: Draag de ark van het verbond, en dat zeven priesters zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark van JAHWEH.
7En tot het volk zei hij: Trek door en gaat rondom deze stad; en wie toegerust is, die ga door voor de ark van JAHWEH.
8En het gebeurde, zoals Jozua tot het volk gesproken had, zo gingen de zeven priesters, dragende zeven ramsbazuinen, voor het aangezicht van JAHWEH; zij trokken door en bliezen met de bazuinen; en de ark van het verbond van JAHWEH volgde hen na;
9En wie toegerust was, ging voor het aangezicht van de priesters, die de bazuinen bliezen; en de achtertocht volgde de ark na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.
10Jozua nu had het volk geboden, zeggende: U zult niet juichen, ja, u zult uw stem niet laten horen, en geen woord zal er uit uw mond uitgaan, tot op de dag, wanneer ik tot u zeggen zal: Juich! dan zult u juichen.
11En hij deed de ark van JAHWEH rondom de stad gaan, omringende die eenmaal; toen kwamen zij weer in het leger, en overnachtten in het leger.
12Daarna stond Jozua 's morgens vroeg op, en de priesters droegen de ark van JAHWEH.
13En de zeven priesters, dragende de zeven ramsbazuinen voor de ark van JAHWEH, gingen voort, en bliezen met de bazuinen; en de toegerusten gingen voor hun aangezichten, en de achtertocht volgde de ark van JAHWEH na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.
14Zo gingen zij eenmaal rondom de stad op de tweede dag; en zij keerden weer in het leger. Zo deden zij zes dagen lang.
15En het gebeurde op de zevende dag, dat zij zich vroeg opmaakten, met het opgaan van de dageraad, en zij gingen rondom de stad, naar dezelfde wijze, zevenmaal; alleen op die dag gingen zij zevenmaal rondom de stad.
16En het gebeurde de zevende keer, als de priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua tot het volk sprak: Juich, want JAHWEH heeft u de stad gegeven!
17Maar deze stad zal voor JAHWEH verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleen zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft.
18Alleen dat u zich wacht van het verbannene, opdat u zich misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israël niet stelt tot een ban, noch het beroert.
19Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren voorwerpen, zullen voor JAHWEH heilig zijn; tot de schat van JAHWEH zullen zij komen.
20Het volk dan juichte, als zij met de bazuinen bliezen; en het gebeurde, als het volk het geluid van de bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in.
21En zij verbanden alles, wat in de stad was, van de man tot de vrouw toe, van het kind tot de oude, en tot de os, en het klein vee, en de ezel, door de scherpte van het zwaard.
22Jozua nu zei tot de twee mannen, de spionnen van het land: Ga in het huis van de vrouw, van de hoer, en brengt die vrouw van daar uit, met al wat zij heeft, zoals u haar gezworen hebt.
23Toen gingen de jongemannen, de spionnen, daarin en brachten er Rachab uit, en haar vader, en haar moeder, en haar broers, en al wat zij had; ook brachten zij uit al haar huisgezinnen, en zij stelden hen buiten het leger van Israël.
24De stad nu verbrandden zij met vuur, en al wat daarin was; alleen het zilver en goud, en ook de koperen en ijzeren voorwerpen, gaven zij tot de schat van het huis van JAHWEH.
25Dus liet Jozua de hoer Rachab leven, en het huisgezin van haar vader, en al wat zij had; en zij heeft gewoond in het midden van Israël tot op deze dag, omdat zij de boden verborgen had, die Jozua gezonden had, om Jericho te bespioneren.
26En ter zelver tijd bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht van JAHWEH, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hij ze grondveste op zijn eerstgeboren zoon, en haar poorten stelle op zijn jongste zoon!
27Zo was JAHWEH met Jozua; en zijn gerucht liep door het hele land.