Jozua 7
Lees Jozua 7 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
Omdat Achan van het gebannene had genomen, ontsteekt de toorn van de Heere tegen Israel, vers 1 enzovoort. Jozua stuurt enig volk naar Ai, 2, waar 36 Israelieten worden verslagen, 5. Jozua en de oudsten van Israel zijn hierover zeer ontzet en vernederen zich voor de Heere, 6, die hem de oorzaak van deze nederlaag openbaart, 11. Hij beveelt hem de man die het gebannene goed gestolen had door loting aan te wijzen, 14, en hem met al het zijne te verbranden, 15. Achan blijkt de schuldige man te zijn, 16. Hij en al de zijnen worden gestenigd en verbrand, 24.
1Maar de Israëlieten overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn van JAHWEH tegen de Israëlieten.
2Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-aven ligt, aan het oosten van Beth-el, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trek omhoog en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.
3Daarna keerden zij weer naar Jozua, en zeiden tot hem: Dat het hele volk niet optrekke, dat er ongeveer twee duizend mannen, of ongeveer drie duizend mannen optrekken, om Ai te slaan; vermoei daarheen al het volk niet; want zij zijn weinig.
4Zo trokken daarheen op van het volk ongeveer drie duizend man; die vluchtten voor het aangezicht van de mannen van Ai.
5En de mannen van Ai sloegen van hen ongeveer zes en dertig man, en vervolgden hen van voor de poort tot Schebarim toe, en sloegen hen in een afgang. Toen versmolt het hart van het volk, en het werd tot water.
6Toen verscheurde Jozua zijn kleren, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark van JAHWEH, tot de avond toe, hij en de oudsten van Israël; en zij wierpen stof op hun hoofd.
7En Jozua zei: Ach, Adonai JAHWEH! waarom hebt U dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand van de Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan de overzijde van de Jordaan!
8Och, JAHWEH! wat zal ik zeggen, aangezien dat Israël voor het aangezicht van zijn vijanden de nek gekeerd heeft?
9Als het de Kanaänieten, en alle inwoners van het land horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen, en onze naam uitroeien van de aarde; wat zult U dan voor Uw grote Naam doen?
10Toen zei JAHWEH tot Jozua: Sta op; waarom ligt u dus neer op uw aangezicht?
11Israël heeft gezondigd; en zij hebben ook Mijn verbond, dat Ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van het verbannene genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd.
12Daarom zullen de Israëlieten niet kunnen bestaan voor het aangezicht van hun vijanden; zij zullen de nek voor het aangezicht van hun vijanden keren; want zij zijn in de ban. Ik zal voortaan niet meer met u zijn, tenzij u de ban uit het midden van u vernietigt.
13Sta op, heilig het volk, en zeg: Heilig u tegen morgen; want zo zegt JAHWEH, de God van Israël: Er is een ban in het midden van u, Israël! u zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht van uw vijanden, voordat u de ban wegdoet uit het midden van u.
14U zult dan in de morgenstond aankomen naar uw stammen; en het zal gebeuren, de stam, die JAHWEH geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en welk geslacht JAHWEH geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij huisgezinnen, en welk huisgezin JAHWEH geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man.
15En het zal gebeuren, die geraakt zal worden met de ban, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond van JAHWEH overtreden heeft, en omdat hij dwaasheid in Israël gedaan heeft.
16Toen maakte zich Jozua 's morgens vroeg op, en deed Israël aankomen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd geraakt.
17Als hij het geslacht van Juda deed aankomen, zo raakte hij het geslacht van Zarchi. Toen hij het geslacht van Zarchi deed aankomen, man voor man, zo werd Zabdi geraakt;
18Wiens huisgezin, als hij dat deed aankomen, man voor man, zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam van Juda.
19Toen zei Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch JAHWEH, de God van Israël, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat u gedaan hebt, verberg het voor mij niet.
20Achan nu antwoordde Jozua, en zei: Werkelijk, ik heb tegen JAHWEH, de God van Israël, gezondigd, en heb zo en zo gedaan.
21Want ik zag onder de roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkels zilver, en een gouden tong, waarvan het gewicht vijftig sikkels was; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden van mijn tent, en het zilver daaronder.
22Toen zond Jozua boden heen, die tot de tent liepen; en ziet, het lag verborgen in zijn tent, en het zilver daaronder.
23Zij dan namen die dingen uit het midden van de tent, en zij brachten ze tot Jozua en tot al de Israëlieten; en zij stortten ze uit voor het aangezicht van JAHWEH.
24Toen nam Jozua, en geheel Israël met hem, Achan, de zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochters, en zijn ossen, en zijn ezels, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor.
25En Jozua zei: Hoe hebt u ons in het ongeluk gestort? JAHWEH zal u beroeren te deze dage! En geheel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.
26En zij richtten over hem een grote steenhoop, zijnde tot op deze dag. Zo keerde zich JAHWEH van de hitte van Zijn toorn. Daarom noemde men de naam van die plaats het dal van Achor, tot deze dag toe.