BijbelJozua

Jozua 9

Lees Jozua 9 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

Toen alle koningen van Kanaan hoorden wat Jozua allemaal deed, hielden zij samen raad en besloten eensgezind tegen Israel te strijden, vers 1 enzovoort. De Gibeonieten doen alsof zij uit verre landen komen en blijven in leven door een bedrieglijk verbond dat zij met de Israelieten sluiten, 3. Hun list komt na drie dagen aan het licht, 16. Het verdrag blijft toch geldig vanwege de eed, 18, maar tot straf voor hun bedrog worden zij tot dienstknechten van de Israelieten gemaakt, 21.

1En het gebeurde, toen dit hoorden al de koningen, die aan deze zijde van de Jordaan waren, op het gebergte, en in de laagte, en aan alle havens van de grote zee, tegenover de Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten;

2Zo verzamelden zij zich samen, om eenmoedig tegen Jozua en tegen Israël te strijden.

3Als de inwoners te Gibeon hoorden, wat Jozua met Jericho en met Ai gedaan had,

4Zo handelden zij ook op sluwe wijze, en gingen heen, en veinsden zich gezanten te zijn, en zij namen oude zakken op hun ezels, en oude en gescheurde, en samengebonden leren wijnzakken;

5Ook oude en bevlekte schoenen aan hun voeten, en zij hadden oude kleren aan, en al het brood, dat zij op hun reize hadden, was droog en beschimmeld.

6En zij gingen tot Jozua in het leger te Gilgal, en zij zeiden tot hem en tot de mannen van Israël: Wij zijn gekomen uit een ver land, zo maakt nu een verbond met ons.

7Toen zeiden de mannen van Israël tot de Hevieten: Misschien woont u in het midden van ons, hoe zullen wij dan een verbond met u maken?

8Zij dan zeiden tot Jozua: Wij zijn uw knechten. Toen zei Jozua tot hen: Wie bent u, en vanwaar komt u?

9Zij nu zeiden tot hem: Uw knechten zijn uit een zeer ver land gekomen, om de Naam van JAHWEH, van uw God; want wij hebben Zijn gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft;

10En alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen van de Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan waren, Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Bazan, die te Astharoth woonde.

11Daarom spraken tot ons onze oudsten, en al de inwoners van ons land, zeggende: Neem reiskost met u in uw handen op de reize, en gaat hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn uw knechten, zo maakt nu een verbond met ons.

12Dit ons brood hebben wij warm tot onze proviant uit onze huizen genomen, op de dag toen wij uittrokken om tot u te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is beschimmeld;

13En deze leren wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw, maar ziet, zij zijn gescheurd; en deze onze kleren, en onze schoenen zijn oud geworden, vanwege deze zeer lange reis.

14Toen namen de mannen van hun reiskost, maar zij baden JAHWEH niet om raad.

15En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zou; en de oversten van de vergadering zwoeren hun.

16En het gebeurde na verloop van drie dagen, nadat zij het verbond met hen gemaakt hadden, zo hoorden zij, dat zij hun buren waren, en dat zij in het midden van hen waren wonende.

17Want toen de Israëlieten voorttogen, zo kwamen zij op de derde dag aan hun steden; hun steden nu waren Gibeon, en Chefira, en Beëroth, en Kirjath-Jearim.

18En de Israëlieten sloegen ze niet, omdat de oversten van de vergadering hun gezworen hadden bij JAHWEH, de God van Israël; daarom morde de hele gemeenschap tegen de oversten.

19Toen zeiden al de oversten tot de hele gemeenschap: Wij hebben hun gezworen bij JAHWEH, de God van Israël; daarom kunnen wij hen niet aantasten.

20Dit zullen wij hun doen, dat wij hen bij het leven behouden, opdat geen grote toorn over ons zij, omwille van de eed, die wij hun gezworen hebben.

21Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters zijn van de hele gemeenschap, zoals de oversten tot hen gezegd hebben.

22En Jozua riep hen, en sprak tot hen, zeggende: Waarom hebt u ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer verre van u gezeten, daar u in het midden van ons bent wonende?

23Nu dan, vervloekt bent u! en onder u zullen niet afgesneden worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters in het huis van mijn God.

24Zij dan antwoordden Jozua, en zeiden: Omdat het aan uw knechten zeker was te kennen gegeven, dat JAHWEH, uw God, Zijn knecht Mozes geboden heeft, dat Hij u al dit land geven, en al de inwoners van het land voor uw aangezicht vernietigen zou, zo vreesden wij om ons leven zeer voor uw aangezichten; daarom hebben wij deze zaak gedaan.

25En nu, zie, wij zijn in uw hand; doe, zoals het goed en zoals het recht is in uw ogen ons te doen.

26Zo deed hij hun zo, en hij verloste hen van de hand van de Israëlieten, dat zij hen niet doodsloegen.

27Zo gaf Jozua hen over op diezelfde dag tot houthouwers en waterputters van de vergadering, en dat tot het altaar van JAHWEH, tot deze dag toe, aan de plaats, die Hij verkiezen zou.