BijbelJubileeën

Jubileeën 14

Lees Jubileeën 14 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1En na deze dingen, in het vierde jaar van deze week, in de nieuwe maan van de derde maand, kwam het woord van God tot Abram in een droom, zeggende: Vrees niet, Abram; Ik ben uw schild, en uw loon zal zeer groot zijn.

2En hij zei: Heere, Heere, wat zult U mij geven? Ik ga immers heen zonder kinderen, en de zoon van Maseq, mijn dienstmaagd, dat is Damascus Eliëzer, hij zal mij erven; en aan mij hebt U geen zaad gegeven; geef mij zaad.

3En Hij zei tot hem: Deze zal u niet erven, maar hij die uit uw lichaam voortkomt, die zal u erven.

4En Hij leidde hem naar buiten en zei tot hem: Zie op naar de hemel en tel de sterren, als u ze tellen kunt.

5En hij zag naar de hemel en zag de sterren, en Hij zei tot hem: Zo zal uw zaad zijn.

6En hij geloofde God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend.

7En Hij zei tot hem: Ik ben God, die u uitgeleid heeft van Ur van de Chaldeeën, om u het land van de Kanaänieten te geven tot een bezitting tot in eeuwigheid, en om u tot God te zijn, en aan uw zaad na u.

8En hij zei: Heere, Heere, waaraan zal ik weten dat ik het beërven zal?

9En Hij zei tot hem: Neem Mij een vaars van drie jaar, en een geit van drie jaar, en een ram van drie jaar, en een tortelduif en een jonge duif.

10En hij nam dit alles in het midden van de maand; en hij verbleef bij de eik van Mamre, die dicht bij Hebron is.

11En hij bouwde daar een altaar, en hij slachtte dit alles, en goot hun bloed op het altaar, en deelde hen middendoor, en legde hun delen tegenover elkander, elk tegenover het andere; maar de vogels deelde hij niet.

12En de vogels daalden neer op de stukken, en Abram weerde hen, en liet niet toe dat de vogels hen aanraakten.

13En het gebeurde, toen de zon onderging, dat een verschrikking op Abram viel, en zie, een grote donkere ontzetting viel op hem, en tot Abram werd gezegd: Weet zeker, dat uw zaad een vreemdeling zal zijn in een vreemd land, en men zal hen dienstbaar maken en verdrukken, vierhonderd jaar.

14En ook het volk waaraan zij dienstbaar zullen zijn, Ik zal voor hen richten.

15En u zult tot uw vaderen gaan in vrede, en u zult begraven worden in goede ouderdom.

16En in het vierde geslacht zullen zij hierheen terugkeren, want de zonde van de Amorieten is tot nu toe nog niet vol geworden.

17En hij ontwaakte uit de slaap en stond op, en de zon was ondergegaan, en er was een vlam, en zie, een oven rookte, en een vlam van vuur ging tussen de stukken door.

18En op die dag sloot God een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat, aan de Keneëten en de Kenizzieten en de Kadmonieten en de Ferezieten en de Refaïeten en de Fakorieten en de Hevieten.

19En de dag ging voorbij, en hij offerde.

20En in deze nacht sloten wij een verbond met Abram, zoals het verbond dat wij in deze maand met Noach gesloten hadden.

21En Abram verheugde zich en maakte dit alles bekend aan Sarai, zijn vrouw.

22En Sarai gaf Abram, haar man, raad, en zei tot hem: Ga in tot Hagar, mijn dienstmaagd, de Egyptische; misschien zal ik uit haar voor u zaad bouwen.

23En Abram hoorde naar de stem van Sarai, zijn vrouw, en zei tot haar: Doe zo.

24En hij ging tot haar in, en zij werd zwanger en baarde een zoon.