Jubileeën 16
Lees Jubileeën 16 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En op de nieuwe maan van de vierde maand verschenen wij aan Abraham, bij de terebint van Mamre, en wij spraken met hem, en wij maakten hem bekend dat hem een zoon zou gegeven worden uit Sara, zijn vrouw.
2En Sara lachte, want zij hoorde dat wij dit woord met Abraham spraken.
3En wij zeiden haar de naam van haar zoon, gelijk het verordend en geschreven is in de tafelen van de hemel: Izak.
4En toen wij op de vastgestelde tijd tot haar terugkeerden, ontving zij een zoon.
5En in deze maand voltrok God Zijn oordeel over Sodom en Gomorra en Zeboïm en over heel de streek van de Jordaan, en Hij verbrandde hen met vuur en zwavel, en vernietigde hen tot op deze dag.
6En evenzo zal God oordeel voltrekken op de plaatsen waar zij handelen naar de onreinheid van Sodom, zoals het oordeel van Sodom.
7Maar Lot verlosten wij, want God gedacht aan Abraham, en Hij bracht hem uit het midden van de ondergang.
8En hij en zijn dochters bedreven zonde op de aarde, zoals er niet geweest was op de aarde vanaf de dagen van Adam tot op zijn tijd, want de man lag bij zijn dochter.
9En zie, het werd geboden en gegraveerd aangaande al zijn zaad op de tafelen van de hemel, om hen weg te nemen en uit te roeien, en om hun oordeel te voltrekken gelijk het oordeel van Sodom, en om hem geen zaad van de mens op de aarde over te laten op de dag van het oordeel.
10En in deze maand vertrok Abraham uit Hebron, en hij ging en woonde tussen Kades en Sur, in de bergen van Gerar.
11En in het midden van de vijfde maand vertrok hij vandaar en woonde bij de Put van de Eed.
12En in het midden van de zesde maand bezocht God Sara en deed haar gelijk Hij gezegd had.
13En zij ontving en baarde een zoon in de derde maand, in het midden van de maand, op de tijd die God tot Abraham gesproken had; op het feest van de eerstelingen van de oogst werd Izak geboren.
14En Abraham besneed hem toen hij acht dagen oud was; hij was de eerste die besneden werd naar het verbond dat voor eeuwig verordend is.
15En in het zesde jaar van de vierde week kwamen wij tot Abraham, bij de Put van de Eed, en wij verschenen aan hem, gelijk wij tot Sara gezegd hadden dat wij tot haar zouden terugkeren; en ook zij ontving een zoon.
16En wij keerden terug in de zevende maand, en wij vonden Sara zwanger voor ons aangezicht; en wij zegenden haar en verkondigden haar al wat aangaande hem verordend was: dat hij niet zou sterven totdat hij nog zes zonen zou verwekken, en hen zou zien voordat hij stierf.
17En al het zaad van zijn zonen zou tot heidenen worden en onder de heidenen gerekend worden.
18Want hij zou het deel van de Allerhoogste worden, en onder de heerschappij van God was al zijn zaad gekomen, opdat het voor God een volk ten eigendom zou zijn boven alle volken, en opdat het een koninkrijk en een priesterschap en een heilig volk zou zijn.
19En wij gingen onze weg, en wij verkondigden aan Sara al wat wij hem gezegd hadden, en zij beiden verheugden zich met zeer grote vreugde.
20En hij bouwde daar een altaar voor God, die hem verlost had en die hem deed verheugen in het land van zijn omzwerving.
21En hij bouwde loofhutten voor zichzelf en voor zijn knechten op dit feest, en hij was de eerste die het loofhuttenfeest op de aarde vierde.
22En gedurende deze zeven dagen offerde hij dag aan dag op het altaar een brandoffer voor God: twee runderen en twee rammen, zeven schapen, één jonge geitenbok, tot een zondoffer, om daarmee verzoening te doen voor zichzelf en voor zijn zaad.
23En tot een dankoffer zeven rammen en zeven geitebokjes en zeven schapen en zeven bokken, met hun voedseloffers en hun drankoffers; en al hun vet deed hij op het altaar in rook opgaan.
24En 's morgens en 's avonds deed hij welriekend reukwerk in rook opgaan: galban en stakte en nardus en mirre en aromatische aar en kostwortel, deze zeven; dit alles offerde hij, fijngestoten, in gelijke maat, tezamen vermengd, rein.
25En hij vierde dit feest zeven dagen, terwijl hij zich verheugde met heel zijn hart en met heel zijn ziel, hij en allen die van zijn huis waren; en er was geen vreemdeling bij hem, noch iemand die onbesneden was.
26En hij zegende zijn Schepper, die hem geschapen had in zijn geslacht, want naar Zijn welbehagen had Hij hem geschapen; want hij wist en verstond dat uit hem de plant van de gerechtigheid zou opkomen voor de eeuwige geslachten, en uit hem een heilig zaad, opdat het zou worden gelijk Hij die alles gemaakt heeft.
27En hij zegende en verheugde zich, en hij noemde de naam van dit feest het feest van God, een vreugde welbehaaglijk aan God, de Allerhoogste.
28En wij zegenden hem voor eeuwig, en al het zaad na hem in al de geslachten van de aarde, omdat hij dit feest op zijn tijd gevierd had, naar het getuigenis van de tafelen van de hemel.
29Daarom werd het op de tafelen van de hemel verordend aangaande Israël, dat zij vierders van het loofhuttenfeest zouden zijn, zeven dagen met vreugde, in de zevende maand, welbehaaglijk voor het aangezicht van God, een eeuwige inzetting in hun generaties, elk jaar en jaar op jaar.
30En hieraan is geen grens van dagen gesteld, want voor eeuwig is het verordend over Israël, dat zij het zouden vieren en in loofhutten wonen, en kransen op hun hoofd zetten, en loofrijke takken en wilgen uit de beek nemen.
31En Abraham nam palmtakken en de vrucht van een goede boom, en elke dag, dag aan dag, ging hij rondom het altaar met de takken, zevenmaal per dag in de morgen; en hij prees en dankte zijn God voor alle dingen in vreugde.