Jubileeën 20
Lees Jubileeën 20 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En in het tweeënveertigste jubeljaar, in het eerste jaar van de zevende week, riep Abraham Ismaël en zijn twaalf zonen, en Izak en zijn twee zonen, en de zes zonen van Ketura en hun kinderen.
2En hij gebood hun dat zij de weg van God zouden houden, om gerechtigheid te doen, en dat de een de ander, zijn naaste, zou liefhebben, en dat zij evenzo zouden zijn te midden van allen, dat de een tegenover de ander zou wandelen, om recht en gerechtigheid te doen op de aarde.
3Dat zij hun zonen zouden besnijden naar het verbond dat Hij met hen gemaakt had, en dat zij niet zouden afwijken ter rechter- of ter linkerhand van al de wegen die God ons geboden heeft, en dat wij ons zouden wachten voor alle hoererij en onreinheid, en dat wij uit ons midden alle onreinheid en hoererij zouden wegdoen.
4En zo een vrouw onder u hoereert, of een meisje, verbrandt haar met vuur; en laten zij niet ontucht plegen achter hun ogen en hun hart aan, om zich vrouwen te nemen uit de dochters van Kanaän, want het zaad van Kanaän zal uit het land uitgeroeid worden.
5En hij vertelde hun het oordeel van de reuzen en het oordeel van Sodom, hoe zij geoordeeld werden vanwege hun boosheid, vanwege hoererij en onreinheid en bederf onder elkander; door hoererij stierven zij.
6En ook u, wacht u voor alle hoererij en onreinheid en voor alle bezoedeling van de zonde, opdat u onze naam niet tot een vloek maakt, en heel uw leven tot een aanfluiting, en al uw zonen tot verderf door het zwaard, en u vervloekt wordt gelijk Sodom, en heel uw overblijfsel gelijk de zonen van Gomorra.
7Ik betuig u, mijn zonen: hebt de God van de hemel lief, en hangt al Zijn geboden aan, en wandelt niet achter hun afgoden en achter hun onreinheid.
8En maakt voor u geen gegoten goden en gesneden beelden, want het is ijdelheid.
9Maar aanbidt de allerhoogste God, en buigt u voor Hem gedurig neer, en verwacht Zijn aangezicht te aller tijd, en doet gerechtigheid en oprechtheid voor Zijn aangezicht, opdat Hij welbehagen in u heeft en u Zijn barmhartigheid geeft en voor u regen doet neerdalen, 's morgens en 's avonds.
10En u zult tot een zegen zijn op de aarde, en al de heidenen van de aarde zullen behagen in u hebben.
11En hij gaf aan Ismaël en aan zijn zonen en aan de zonen van Ketura geschenken, en zond hen weg van Izak zijn zoon; en al het zijne gaf hij aan Izak zijn zoon.
12En Ismaël en zijn zonen, en de zonen van Ketura en hun kinderen, gingen tezamen, en woonden van Paran af tot aan de ingang van Babel, in heel het land dat naar het oosten is, tegenover de woestijn.
13En dezen vermengden zich met genen, en hun naam werd genoemd: Arabieren en Ismaëlieten.