BijbelJubileeën

Jubileeën 21

Lees Jubileeën 21 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1En in het zesde jaar van de zevende week van dit jubeljaar riep Abraham Izak, zijn zoon, en gebood hem, zeggende: Ik ben oud geworden en ken de dag van mijn dood niet, want ik ben verzadigd van mijn dagen.

2En zie, ik ben honderdvijfenzeventig jaar oud, en al de dagen van mijn leven ben ik God gedachtig geweest en heb ik met heel mijn hart getracht Zijn wil te doen en oprecht te wandelen op al Zijn wegen.

3Mijn ziel heeft de afgoden gehaat, opdat ik mij ervan zou wachten en de wil zou doen van Hem Die mij geschapen heeft.

4Want Hij is de levende God, en Hij is heilig en getrouw, en Hij is rechtvaardig boven alles, en bij Hem is geen aanneming van de persoon en geen aanneming van geschenken; want God is rechtvaardig en Hij oefent gericht uit over allen die Zijn gebod overtreden en die Zijn verbond verachten.

5En u, mijn zoon, houd Zijn gebod en Zijn inzetting en Zijn recht, en wandel niet achter de onreinen, en niet achter de gesneden beelden, en niet achter de gegoten beelden.

6En eet geen enkel bloed van dier of vee, noch van enige vogel die in de hemel vliegt.

7En als u een slachtoffer slacht als een welbehaaglijk dankoffer, slacht het, en giet hun bloed uit op het altaar; en al het vet van het offer zult u opdragen op het altaar met meelbloem, en het voedseloffer met olie gemengd, met zijn drankoffer zult u het alles tezamen opdragen op het altaar, een offer van een liefelijke reuk voor het aangezicht van God.

8Evenzo zult u het vet van het heilsoffer leggen op het vuur dat op het altaar is, gelijk het vet dat op de buik is, en al het vet dat op de ingewanden is, en de beide nieren, en al het vet dat daarop is; en de lendenen en de lever zult u tezamen met de nieren wegnemen.

9En u zult dit alles opdragen tot een liefelijke reuk die welbehaaglijk is voor het aangezicht van God, met zijn voedseloffer en met zijn drankoffer, tot een liefelijke reuk, het brood van het offer voor God.

10En eet het vlees ervan op diezelfde dag en op de volgende, en laat de zon op de tweede dag daarover niet ondergaan totdat het gegeten is, en laat er niets overblijven voor de derde dag; want het is niet welbehaaglijk en niet goedgekeurd, en het worde niet meer gegeten.

11Op al uw offers zult u zout leggen, en laat het zout van het verbond niet ontbreken op al uw offers voor het aangezicht van God.

12En wees op uw hoede aangaande het hout van het offer, dat u geen ander hout op het altaar brengt dan deze alleen: cipres, defran, sagad, pijnboom, spar, ceder, savenhout, palm, en de olijfboom, mirre, laurier, en de jeneverbes die arbat heet, en balsem.

13En van deze houtsoorten zult u onder het offer op het altaar leggen die naar hun aanzien beproefd zijn, en leg geen enkel gespleten hout neer; maar sterke houtsoorten, gaaf en zonder enig gebrek, volkomen en van nieuwe groei; en leg geen oud hout neer, want zijn geur is heengegaan, want er is geen geur meer aan zoals vroeger.

14Behalve deze houtsoorten is er geen andere die u zult neerleggen.

15Neem deze inzetting waar en doe haar, mijn zoon, opdat u oprecht bent in al uw werk.

16En wees te allen tijde rein aan uw lichaam, en was u met water voordat u gaat om op het altaar te offeren, en was uw handen en uw voeten voordat u tot het altaar nadert; en wanneer u het offeren voleindigd hebt, keer terug en was uw handen en uw voeten opnieuw.

17En laat geen bloed op u verschijnen, noch op uw kleren; wees op uw hoede, mijn zoon, aangaande het bloed, wees zeer op uw hoede; bedek het met aarde.

18En eet voortaan geen bloed, want het bloed is de ziel; eet geen enkel bloed.

19En neem geen geschenk aan voor enig bloed van een mens, opdat het niet ongestraft, zonder gericht, vergoten worde; want het is het bloed dat vergoten wordt dat de aarde doet zondigen, en de aarde kan van het bloed van een mens niet gereinigd worden dan door het bloed van hem die het vergoten heeft.

20En neem geen loon en geen gave voor het bloed van een mens: bloed voor bloed; en het wordt aangenomen voor het aangezicht van God, de Allerhoogste.

21Ik zie, mijn zoon, al het werk van de kinderen van de mensen, dat het zonde en boosheid is, en al hun werken zijn onreinheid en gruwel en bezoedeling.

22Wees op uw hoede, wandel niet in hun weg, noch treed in hun voetstappen, en zondig geen zonde tot de dood voor het aangezicht van God, de Allerhoogste.

23Wend u af van al hun daden en van al hun onreinheid, en neem de inzetting van God, de Allerhoogste, in acht, en doe Zijn wil, en wees oprecht in alles.

24En Hij zal u zegenen in al uw daden, en zal uit u een plant van de gerechtigheid doen opstaan in heel de aarde, in alle geslachten van de aarde; en mijn naam en uw naam zullen onder de hemel niet vergeten worden in alle dagen.

25Ga, mijn zoon, in vrede. Moge God, de Allerhoogste, mijn God en uw God, u sterken om Zijn wil te doen; en moge Hij heel uw zaad zegenen, het overblijfsel van uw zaad, voor de geslachten van de eeuwigheid, met alle zegen van de gerechtigheid, opdat u een zegen bent in heel de aarde.

26En hij ging van hem uit, terwijl hij zich verheugde.