Jubileeën 38
Lees Jubileeën 38 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En daarna sprak Juda tot Jakob, zijn vader, en zei tot hem: Span, mijn vader, uw boog en zend uw pijl uit, en huid de vijand neer en dood de tegenstander, en moge er kracht voor u zijn; want wij zullen uw broeder niet doden, want hij is de uwe en hij is uws gelijke, bij ons tot eer.
2Te dien tijde spande Jakob zijn boog en zond een pijl uit en trof Ezau, zijn broeder, en doodde hem.
3En opnieuw zond hij een pijl uit en trof Aduran de Arameeër aan zijn linkerborst en doodde hem.
4En daarna gingen de zonen van Jakob uit, zij en hun knechten, zich verdelende aan de vier zijden van de toren.
5En Juda ging vooraan uit, en Naftali en Gad met hem, en vijftig knechten met hem, aan de zuidzijde van de toren, en zij doodden allen die zij voor zich vonden, en er was niemand die van hen ontkwam, zelfs niet één.
6En Levi en Dan en Aser gingen uit aan de oostzijde van de toren, en vijftig met hen, en zij doodden de strijders van Moab en van Ammon.
7En Ruben en Issaschar en Zebulon gingen uit aan de noordzijde van de toren, en vijftig met hen, en zij doodden de strijders van de Filistijnen.
8En Simeon en Benjamin en Henoch, de zoon van Ruben, gingen uit aan de westzijde van de toren, en vijftig met hen, en zij doodden van Edom en van de Horieten vierhonderd sterke mannen, strijders, en zeshonderd vluchtten.
9En de zonen van Jakob dreven hen achter zich voort tot aan het gebergte Seïr.
10En de zonen van Jakob verdrukten de kinderen van Ezau op het gebergte Seïr, en zij bogen hun hals neer, zodat zij knechten werden voor de kinderen van Jakob.
11En zij zonden tot hun vader, of zij vrede met hen zouden maken, dan wel of zij hen zouden doden.
12En Jakob zond tot zijn zonen dat zij vrede zouden maken, en zij maakten vrede met hen en legden het juk van de dienstbaarheid op hen, opdat zij Jakob en zijn zonen zouden dienen, allen.
13En zij bleven Jakob dienen tot op de dag dat Jakob afdaalde in Egypte.
14En de kinderen van Edom weken niet van het juk van de dienstbaarheid van de twaalf zonen van Jakob dat op hen lag, tot op deze dag.
15En dit zijn de koningen die geregeerd hebben in Edom, voordat er een koning regeerde voor de kinderen van Israël, tot op deze dag, in het land Edom.
16En in Edom regeerde Balak, de zoon van Beor, en de naam van zijn stad was Denaba.
17En Balak stierf, en Jobab, de zoon van Zara van Bosir, regeerde in zijn plaats.
18En Jobab stierf, en Asam van het gebergte Teman regeerde in zijn plaats.
19En Asam stierf, en Adad, de zoon van Barad, die Midian versloeg in het veld van Moab, regeerde in zijn plaats, en de naam van zijn stad was Awutu.
20En Adad stierf, en Salman van Amaseka regeerde in zijn plaats.
21En Salman stierf, en Saul van Raäboth aan de rivier regeerde in zijn plaats.
22En Saul stierf, en Baëlunan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats.
23En Baëlunan, de zoon van Achbor, stierf, en Adad regeerde in zijn plaats, en de naam van zijn vrouw was Maitabith, de dochter van Matrit, de dochter van Metebedzaäb.
24Dit zijn de koningen die geregeerd hebben in het land Edom.