Jubileeën 50
Lees Jubileeën 50 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1En na deze wet maakte Ik u de dagen van de sabbatten bekend in de woestijn van Sinai, die tussen Elim en Sinai ligt.
2En de sabbatten van het land heb Ik u verteld op de berg Sinaï, en de jaren van het jubeljaar in de sabbatten van de jaren; maar het jaar daarvan heb Ik u niet verteld, totdat u komt in het land dat u in bezit zult nemen.
3En ook het land zal zijn sabbatten houden terwijl zij daarop wonen, en zij zullen het jubeljaar kennen.
4Daarom heb Ik voor u vastgesteld de weken van jaren en de jubeljaren: negenenveertig jubeljaren van de dagen van Adam af tot op deze dag, en één week en twee jaren; en er zijn nog veertig jaren die verwijderd zijn, om de geboden van God te leren, totdat zij overtrekken naar de overzijde van het land Kanaän, de Jordaan overtrekkende naar de westkant.
5En de jubeljaren zullen voorbijgaan, totdat Israël gereinigd is van alle schuld van hoererij, en onreinheid, en verontreiniging, en zonde, en dwaling; en het zal in heel het land wonen in vertrouwen, en er zal voor hem geen satan meer zijn en geen boze; en het land zal rein zijn van die tijd af tot in alle eeuwigheid.
6En zie, het gebod van de sabbatten heb Ik voor u geschreven, en al de rechten van zijn wetten.
7Zes dagen zult u werk doen, maar op de zevende dag is de sabbat van God, uw God; u zult daarop geen enkel werk doen, u en uw kinderen en uw dienaar en uw dienaressen en al uw vee, en ook de vreemdeling die bij u is.
8En de mens die daarop enig werk doet zal sterven; ieder man die deze dag ontheiligt, die bij een vrouw ligt, en wie een woord spreekt over werk daarop, dat hij op die dag iets zou doen — zich op reis begeven, en aangaande alle kopen en verkopen, en wie daarop water put dat hij voor zich niet bereid heeft op de zesde dag, en wie iets optilt om te dragen, om het uit zijn tent of uit zijn huis te brengen — zal sterven.
9U zult op de sabbat geen enkel werk doen dat u voor u niet bereid hebt op de zesde dag, om te eten en te drinken en te rusten en sabbat te houden van alle werk op deze dag, en om God, uw God, te zegenen.
10Want groot is de eer die God aan Israël gegeven heeft, om te eten en te drinken en verzadigd te worden op deze feestdag, en daarop te rusten van alle werk dat behoort tot het werk van de mensenkinderen, behalve het branden van reukwerk, en het brengen van offer en slachtoffer voor het aangezicht van God, voor de dagen en voor de sabbatten.
11Dit werk alleen zal gedaan worden op de dagen van de sabbatten, in het heiligdom van God, uw God, opdat zij voor Israël verzoening doen met een offer, gestadig van dag tot dag, tot een herinnering die welbehaaglijk is voor het aangezicht van God, opdat Hij hen voor eeuwig aanneme, van dag tot dag, zoals u geboden is.
12En ieder mens die werk doet, en wie een reis gaat, en wie een akker bewerkt, hetzij in zijn huis, hetzij op enige plaats —
13en de mens die iets hiervan doet op de sabbatdag zal sterven. Hier is voleindigd het woord van de verdeling van de dagen.