Judith 1
Lees Judith 1 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Arfaxad, koning van de Meden, versterkt de stad Ecbatana. 6 Nebukadnezar, koning van Assyrië, begint oorlog tegen hem. 7 Zendt om bijstand aan al zijn landen, 12 en wordt vertoornd over hen die weigerachtig waren. 14 Verwoest Ecbatana. 15 Verslaat Arfaxad, 16 en komt weer terug te Ninevé.
1IN het twaalfde jaar van het koninkrijk van Nabuchodonosor, die regeerde in de grote stad Nineve in de dagen van Arfaxad, die regeerde over de Meden te Ecbatana,
2En bouwde rondom Ecbatana muren van gehouwen stenen, die drie ellen waren in de breedte, en zes ellen in de lengte; en maakte de hoogte van de muur zeventig ellen, en zijn breedte vijftig ellen;
3En stelde zijn torens op de poorten van deze stad, van honderd ellen in de hoogte.
4En legde het fundament van de muren daarvan tot zestig ellen in de breedte.
5En maakte haar poorten verheven tot de hoogte van zeventig ellen, en de breedte van deze poorten veertig ellen, tot de uittocht van zijn machtige legers, en tot de ordeningen van zijn voetvolk.
6En de koning Nabuchodonosor voerde te die zelf dage strijd tegen de koning Arfaxad, in dat grote veld, dat gelegen is aan de grens Ragan; en bij hem voegden zich allen, die aan dat gebergte woonden, en allen die woonden aan de Eufraat, en aan de Tiger, en aan de Hydaspes, en in het platte land van Arioch, de koning van de Elymeërs, en zeer vele volken van de kinderen van Gilod kwamen samen tot die strijd.
7En Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, zond tot allen die in Perzië woonden, en tot allen die tegen het westen woonden, en die in Cilicië en Damascus woonden, en op de berg Libanon en Antilibanon, en allen die woonden langs de vlakte van de zeekant,
8En ook tot de volken van de berg Karmel, en van Gilead, en tot Opper-Galilea, en het grote veld Esdrelon.
9En tot allen die in Samaria waren, en tot hun steden, en over de Jordaan tot Jeruzalem toe, en Bethane, en Chellus, en Kades, en de rivier van Egypte, en Tafnesa, en Ramesse, en het hele land Gesem,
10Totdat men komt aan de overzijde van het gebergte Tanis en Memfis, en tot allen, die in Egypte woonden, totdat men komt aan het gebied van Ethiopië.
11Maar al de inwoners van dit land verachtten het woord van Nabuchodonosor, de koning van de Assyriërs, en zij kwamen bij hem niet tot deze strijd, want zij vreesden hem niet, maar hij was voor hen als een enig man, en deden zijn boden leeg van zich terugkeren met schande.
12En Nabuchodonosor werd zeer verstoord tegen al dat land; en hij zwoer bij zijn troon en zijn koninkrijk, dat hij zich zeker wreken zou over al het gebied van Cilicië, en Damascus, en Syrië, en dat hij met het zwaard zou ombrengen al de inwoners van het land Moab, en de kinderen van Ammon, en geheel Judea, en allen die in Egypte waren, totdat men komt aan het gebied van de twee zeeën.
13En hij is met zijn macht in slagorden getrokken tegen de koning Arfaxad in het zeventiende jaar, en hij verkreeg de overhand in deze zijn strijd en versloeg de hele macht van Arfaxad, en al zijn ruiterij en zijn wagens, en vermeesterde zijn steden.
14En kwam tot Ecbatana toe, en nam de torens in, en verwoestte haar straten, en haar sieraad maakte hij tot schande.
15En hij ving Arfaxad in de gebergten Ragan, en doorschoot hem met zijn pijlen, en verdierf hem tot die dag toe.
16En hij keerde met hen weer naar Nineve, hij en al zijn leger, uit vele volken bestaande, een zeer grote menigte van soldaten; en hij rustte daar uit, en hield maaltijden, hij en zijn leger, honderdentwintig dagen lang.