BijbelJudith

Judith 10

Lees Judith 10 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Nadat Judit zich getooid heeft, gaat zij met haar dienstmaagd naar de poort, 8 waar de oversten van de stad haar de zegen van God toewensen. 9 Zij gaat vervolgens de poort uit, 11 en komt bij de wacht van de Assyriërs, 15 die haar geleiden tot in de tent van Holofernes.

1EN het gebeurde toen zij ophield van roepen tot de God van Israël, en al deze woorden geëindigd had.

2Dat zij opstond van haar voetval en riep haar dienstmaagd, en kwam beneden in het huis, waar zij zich ophield in de dagen van de sabbatten, en in haar feestdagen, en zij legde de zak af, waarmee zij bekleed was, en trok haar weduwklederen uit.

3En zij waste haar lichaam geheel met water, en zalfde dat met kostelijke dikke zalf, en zij vlocht het haar van haar hoofd, en zette een hoofdsiersel daarop, en deed haar vreugde-kleren aan, waarmee zij bekleed was in de dagen van het leven van haar man Manasse.

4En zij deed pantoffelen aan haar voeten, en deed haar armringen aan, en halsbanden, en ringen, en oorringen, en al haar sieraad, en versierde zich zeer, tot bedrog van de ogen van de mannen, zovelen haar aanzien zouden.

5En zij gaf haar dienstmaagd een leren fles met wijn, en een kruik met olie, en vulde een reiszak met meel, en met vijgen, en reine broden, en bond al haar voorwerpen om en om, en legde ze deze op.

6En zij gingen uit naar de poort van de stad Bethulië, en vonden aan deze staande Ozias, en de oudsten van de stad Chabrin en Charmin.

7Als zij nu haar zagen, en hoe haar aangezicht hersteld en haar kleding veranderd was, zo verwonderden zij zich bovenmate zeer over haar schoonheid.

8En zeiden tot haar: God, de God van onze vaders, make u aangenaam, en volbreng uw aanslagen, tot roem van de Israëlieten en verhoging van Jeruzalem. En zij bad God aan,

9En zei tot hen: Beveel dat mij de poort van de stad opengedaan worde en ik zal uitgaan om de dingen te volbrengen, waarvan u met mij hebt gesproken, en zij bevalen de jongemannen haar open te doen, zoals zij gesproken had, en zij deden zo.

10En Judith ging uit, en haar maagd met haar, en de mannen van de stad zagen haar na, totdat zij de berg afgegaan, en totdat zij het dal doorgegaan was, en zij haar niet meer zagen.

11Toen gingen deze in het dal recht heen en de voorwacht van de Assyriërs kwam haar tegen, en grepen haar, en vraagden haar: Van wie bent u? en vanwaar komt u? en waar gaat u heen?

12En zij zei: Ik ben een Hebreeuwse vrouw, en vlucht van hen weg want zij zullen aan u overgegeven worden, om vernield te worden.

13En ik kom tot het aangezicht van Holofernes de veldoverste van uw leger, om hem waarachtige woorden te boodschappen, en ik zal een weg voor hem wijzen, waardoor hij trekken zal, en het hele gebergte veroveren, en van zijn mannen zal niemand omkomen, noch iets dat leven heeft.

14Als nu de mannen haar woorden hoorden, en haar aangezicht beschouwden, zo was het voor hen zeer wonderlijk in schoonheid.

15En zij zeiden tot haar: U hebt uw leven behouden, omdat u zich gehaast hebt af te komen tot het aangezicht van onze heer. En nu, ga voort tot zijn tent, en enigen van ons zullen u geleiden, totdat zij u in zijn handen zullen leveren.

16Wanneer u nu voor hem staat, zo wees niet bevreesd in uw hart, maar boodschap hem naar uw woorden, en hij zal u weldoen. En zij verkozen uit zich honderd mannen, en voegden die bij haar en haar maagd, en die brachten haar aan de tent van Holofernes, en daar kwam een oploop door het hele leger, want haar aankomst werd bekend door de tenten. En zij kwamen en omringden haar, zoals zij stond buiten de tent van Holofernes, totdat zij hem de boodschap van haar gedaan hadden. En zij waren verwonderd over haar schoonheid, en zij verwonderden zich over de Israëlieten om harentwil, en de één zei tot de ander: Wie zou dit volk kunnen verachten, dat zulke vrouwen onder zich heeft; daarom is het niet goed dat één man van hen overblijve, die overgelaten zijnde het hele land door listigheid zou kunnen bedriegen.

17En de kamerlingen van Holofernes, en al zijn dienaren kwamen uit, en brachten haar in de tent.

18En Holofernes rustte op zijn bed onder een kleed, dat van purper, en goud, en smaragden, en kostelijke stenen was samen geweven, en zij boodschapten hem van haar, en hij kwam uit in de voortent, en hem werden zilveren lampen voorgedragen.

19En als Judith voor zijn aangezicht en dat van zijn dienaren kwam, verwonderden zij zich allen over de schoonheid van haar aangezicht, en zij, neervallende op haar aangezicht, aanbad hem, en zijn dienaren richtten haar op.