BijbelJudith

Judith 11

Lees Judith 11 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Holofernes ontvangt Judit vriendelijk, 3 en vraagt naar de reden van haar komst. 4 Zij zegt dat zij gekomen is om hem bekend te maken hoe en wanneer hij de stad zal kunnen veroveren. 18 Holofernes heeft een groot behagen in haar schoonheid en wijsheid.

1EN Holofernes zei tot haar: Heb goede moed, vrouwe, en uw hart zij niet bevreesd, want ik heb geen mens leed gedaan, die Nabuchodonosor, de koning van de hele aarde, heeft begeerd te dienen.

2En nu, als uw volk, dat op dit gebergte woont, mij niet veracht had, ik zou mijn speer tegen hem niet opgeheven hebben, maar zij zelf hebben zich dit aangedaan.

3Maar nu, zeg mij, waarom u van hen gevlucht en tot ons gekomen bent, want u komt tot uw behoudenis; heb goede moed, u zult deze nacht bij het leven blijven, en ook voortaan; want daar is niemand die u zal verongelijken, maar een ieder zal u weldoen, zoals met de knechten van mijn heer, koning Nabuchodonosor, gebeurt.

4En Judith zei tot hem: Neem de woorden van uw dienstmaagd aan, en laat uw dienstmaagd voor uw aangezicht spreken, en ik zal deze nacht mijn heer geen leugen boodschappen. En als u de woorden van uw dienstmaagd zult volgen, zo zal God de zaak met u volkomen uitvoeren, en mijn heer zal niet vervallen van zijn aanslagen.

5Want zo waar als Nabuchodonosor, de koning van de hele aarde, leeft, en zo waar als zijn kracht leeft, die u uitgezonden heeft om alle zielen met orde te richten, zo zullen niet alleen de mensen door u hem dienen, maar ook de dieren van het veld en de beesten, en de vogels van de hemel zullen door uw geweld onder Nabuchodonosor en zijn hele huis leven.

6Want wij hebben van uw wijsheid gehoord, en van de vernuftige daden van uw hart, en het wordt verkondigd in de hele aarde, dat u alleen kloek bent in geheel het koninkrijk, en machtig in wetenschap, en wonderlijk in de oorlogsordeningen.

7En nu wat betreft de rede, die Achior gesproken heeft in uw raad, wij hebben zijn woorden gehoord, omdat hem de mannen van Bethulië gekregen hebben, en hij heeft hun aangezegd alles wat hij voor u uitgesproken heeft. Daarom, heersende heer, verwerp zijn rede niet, maar laat ze u ter harte gaan, omdat zij waarachtig is.

8Want over ons geslacht wordt geen wraak genomen, en het zwaard overweldigt het niet, tenzij dat zij tegen hun God gezondigd hebben.

9Maar nu, opdat mijn heer niet tevergeefs en zonder iets uit te richten zou zijn, zo is de dood hun over het aangezicht gevallen, en een zonde heeft hen ingenomen, waardoor zij hun God zullen vertoornen, zo wanneer zij deze onbehoorlijkheid zullen hebben begaan.

10Want omdat hun het voedsel ontbroken heeft, en al het water zeer weinig is geworden, zo hebben zij beraadslaagd de hand te slaan aan hun lastbeesten, en hebben besloten tot voedsel te gebruiken al wat God in Zijn wetten hun verboden heeft te eten.

11Zij hebben ook voorgenomen tot voedsel te gebruiken de eerstelingen van koren, en de tienden van wijn en van olie, die zij bewaard hebben en geheiligd voor de priesters, die te Jeruzalem voor het aangezicht van onze God staan, die het zelfs niemand uit het volk past met de handen aan te raken.

12En zij hebben enige naar Jeruzalem gezonden (omdat ook die daar wonen hetzelfde hebben gedaan), die hun zouden overbrengen de toelating van de raad; en het zal gebeuren dat, zodra hun dit bericht is en zij het gedaan hebben, zij diezelfde dag aan u overgegeven zullen worden om vernield te worden.

13Daarom, ik, uw dienstmaagd, dit alles wetende, ben van hun aangezicht gevlucht, en God heeft mij gezonden, om met u dingen te doen, waarover zich in de hele aarde zullen ontzetten, zo velen als er van horen zullen.

14Want uw dienstmaagd vreest God, dienende nacht en dag de God van de hemel. En nu ik zal bij u blijven, mijn heer, en uw dienstmaagd zal 's nachts uitgaan in het dal, en ik zal God aanbidden, en Hij zal mij verkondigen wanneer zij hun zonden zullen begaan hebben; en ik zal komen en u dat aanbrengen, en u zult met uw hele macht uittrekken; en daar is geen van hen, die u zal weerstaan.

15En ik zal u leiden door het midden van Judea, totdat u komt voor Jeruzalem.

16En ik zal uw stoel in het midden van hen zetten, en u zult hen drijven zoals schapen, die geen herder hebben, en daar zal niet één hond zijn, die met zijn tong tegen u zal bassen;

17Want deze dingen zijn mij aangezegd naar mijn voorwetenschap, en zijn mij geboodschapt, en ik ben gezonden om die u weer te boodschappen.

18Deze haar redenen behaagden Holofernes en al zijn dienaren, en zij verwonderden zich over haar wijsheid, en zeiden:

19Er is geen dergelijke vrouw van het ene einde van de aarde tot het andere einde, in schoonheid van aangezicht, en wijsheid van spreken.

20En Holofernes zei tot haar: God heeft welgedaan, dat Hij u voor dit volk heeft afgezonden, opdat in onze handen kracht zij, en degenen die mijn heer verachten, verdorven worden.

21En nu, u bent schoon van gestalte en kloek zijn uw redenen, als u dan zult doen zoals u gezegd hebt, zo zal uw God mijn God zijn, en u zult in het huis van de koning Nabuchodonosor wonen, en u zult beroemd zijn door het hele land.