Judith 12
Lees Judith 12 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.
1 Judit weigert te eten van de spijze van Holofernes. 6 Vraagt of zij naar buiten mag gaan om te bidden, 7 blijft drie dagen in het legerkamp. 10 Holofernes nodigt haar door Bagoas uit om bij hem te komen op zijn maaltijd, en met hem vrolijk te zijn. 13 Wat Judit, nadat zij zich getooid heeft, doet, 17 en zij wordt door Holofernes zeer onthaald.
1EN hij beval dat men haar brengen zou in de kamer waar zijn zilverwerk bewaard werd, en hij gelastte dat men haar zou opdissen van zijn voedsel, en dat zij drinken zou van zijn wijn.
2Maar Judith zei: Ik zal daarvan niet eten, opdat geen aanstoot daaruit ontsta, maar uit wat mij volgt, zal mij toegediend worden.
3En Holofernes zei tot haar: Maar wanneer het op zal zijn, dat bij u is, vanwaar zullen wij dergelijke halen, om u te geven, want daar is niemand van uw geslacht onder ons.
4En Judith zei tot hem: Zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer, uw dienstmaagd zal niet opgeteerd hebben wat ik bij mij heb, of de Heere zal door mijn hand gedaan hebben, wat Hij heeft beraadslaagd.
5En de dienaren van Holofernes brachten haar in de tent, en zij sliep tot de middernacht; en zij stond op tegen de morgenwake.
6En zij zond tot Holofernes, zeggende: Mijn heer beveel toch, dat men toelate dat zijn dienstmaagd tot het gebed uitga; en Holofernes beval zijn lijfwachten, dat zij haar niet verhinderden.
7En zij verbleef in het leger drie dagen, en zij ging 's nachts uit naar het dal van Bethulië, en zij waste zich in het leger, in de waterfonteinen.
8En als zij weer opkwam, bad zij de Heere, de God van Israël, dat Hij haar weg richten wilde, tot oprichting van de kinderen van haar volk.
9En inkomende, bleef zij rein in de tent, totdat men haar haar voedsel bracht tegen de avond.
10En het gebeurde op de vierde dag, dat Holofernes een maaltijd aanrichtte, alleen voor zijn dienaren, en riep niemand daartoe van degenen, die over de gemene zaken waren, en hij zei tot Bagoas de kamerling, die over alles gesteld was dat hem toebehoorde: Ga toch heen en overreed de Hebreeuwse vrouw die bij u is, dat zij bij ons kome, en met ons ete en drinke.
11Want zie, het is schande voor ons dat wij zulk een vrouw zouden laten gaan, zonder gemeenschap met haar te hebben, want zo wij haar niet tot ons trekken, zij zal ons bespotten.
12En Bagoas ging uit van Holofernes, en kwam tot haar en zei: Dat de schone jonkvrouw zich niet bezware om zelf tot mijn heer te komen, om door zijn aangezicht verheerlijkt te worden, en met ons tot vrolijkheid wijn te drinken, en op deze dag te worden als een van de dochters van de Assyriërs, die in het huis van Nabuchodonosor staan.
13En Judith zei tot hem: Wie ben ik, die mijn heer zou tegenspreken?
14Want al wat behagelijk zal zijn in zijn ogen, dat zal ik vlijtig doen; en dit zal mij een verheuging zijn, tot aan de dag van mijn dood.
15Zo stond zij op en versierde zich met haar kleding, en met al haar vrouwensiersel; en haar dienstmaagd kwam toe, en spreidde voor haar, recht over Holofernes, op de aarde, de vellen, die zij van Baogas ontvangen had tot haar dagelijks gebruik, opdat zij daarop neerzitten, en eten mocht; en Judith kwam in, en zat neer.
16En het hart van Holofernes ontzette zich tegen haar, en zijn ziel werd bewogen, en was bovenmate begerig om met haar gemeenschap te hebben, en hij zocht de gelegene tijd, om haar te verleiden, van de dag af dat hij haar gezien had.
17En Holofernes zei tot haar: Drink toch, en wees met ons vrolijk.
18En Judith zei: Ja, Heer, ik wil drinken, want mijn leven is op deze dag meer verheven dan het geweest is van al de dagen van mijn geboorte.
19En zij nam, en at, en dronk voor hem, wat haar dienstmaagd bereid had.
20En Holofernes was vrolijk over haar, en dronk zeer veel wijn, zodat hij nooit zo veel op één dag gedronken had, sinds hij geboren was.