BijbelJudith

Judith 14

Lees Judith 14 in de leesweergave, met grondtekst, Strong-nummers, kanttekeningen en de verschillen met de Statenvertaling.

1 Judit raadt aan dat zij het hoofd van Holofernes van de stadsmuren zullen uitsteken, en daarop een uitval zullen doen. 6 Achior, van Judit vernomen hebbende wat zij gedaan had, wordt bekeerd en besneden. 8 De Israëlieten doen een uitval tegen de Assyriërs, 10 die, willende Holofernes wekken, hem dood vinden in zijn tent, 14 en daarover groot misbaar maken.

1EN Judith zei tot hen: Hoor mij nu, broeders, en neemt dit hoofd, en hangt dat uit, op de tinne van onze stadsmuur.

2En wanneer de morgenstond zal aanlichten, en de zon op aarde opgaan, zo zal ieder van u zijn krijgsuitrusting nemen, en u allen, die kloeke mannen bent, zult uitgaan buiten de stad, en zult een overste stellen tegen hen, als of u wilde neerdalen in het veld, tegen de eerste wacht van de kinderen van Assur, maar u zult niet heen afgaan.

3En zij zullen hun wapenen nemen, en naar hun legers heentrekken, en zullen de bevelhebbers van het leger van de Assyriërs opwekken.

4En zij zullen allen tegelijk lopen tot de tent van Holofernes, en zullen hem niet vinden, en een vrees zal op hen vallen, en zij zullen voor uw aangezicht vluchten.

5En u zult hen achtervolgen, en ook allen die in het hele gebied van Israël wonen, en zult hen neervellen in hun wegen.

6Maar voordat u dat doet, zo roept mij Achior, de Ammoniet, opdat hij zie en kenne degene, die het huis van Israël veracht heeft, en die hem tot ons als tot de dood heeft afgezonden; en zij riepen Achior uit het huis van Ozias. Als hij nu kwam, en het hoofd van Holofernes zag, in de hand van een man onder de vergadering van het volk, zo viel hij op zijn aangezicht, en is in onmacht gevallen; maar als zij hem verfrist hadden viel hij aan de voeten van Judith, en aanbad haar en zei: Gezegend bent u in alle tenten van Juda, en onder alle volken; die van uw naam horen, die zullen zich ontzetten; en nu, verhaal mij al wat u in deze dagen gedaan hebt. En Judith verhaalde hem in het midden van het volk, al wat zij gedaan had, van de dag aan dat zij uitgegaan was, totdat zij met hen sprak; en als zij ophield van spreken, zo juichte het volk met luide stem, en verhief een stem van vreugde in hun stad.

7En Achior ziende al wat de God van Israël gedaan had, geloofde zeer aan God, en besneed het vlees van zijn voorhuid, en werd tot het huis van Israël toegevoegd tot op deze dag.

8Wanneer nu de morgenstond aanbrak, zo hingen zij het hoofd van Holofernes van de muur uit, en alle mannen van Israël namen hun wapenen, en vielen uit met benden tot aan de opgang van de berg, en de Assyriërs, zo haast zij hen zagen, zonden tot hun bevelhebbers,

9Deze nu kwamen tot hun krijgsoversten en kolonels, en tot een ieder die over hen te gebieden had, en zij kwamen tot de tent van Holofernes, en zeiden tot degenen die over al zijn zaken gesteld was:

10Wek toch onze heer op, want de slaven durven tot ons neerkomen in de oorlog, opdat zij geheel vernietigd worden.

11En Bagoas ging binnen, en klopte aan de voorzaal van de tent:

12Want hij vermoedde, dat hij bij Judith sliep.

13En als hij niemand hoorde, deed hij open, en kwam in de slaapkamer.

14En vond hem dood op de vloer geworpen, en zijn hoofd was hem afgehouwen; en hij riep met luide stem, met geschrei, en gezucht, en sterk getier, en verscheurde zijn kleren.

15En hij ging in de tent waar Judith zich ophield, en vond haar niet, en hij sprong tot het volk uit roepende: Die slaven hebben trouweloos gehandeld: een Hebreeuwse vrouw heeft schaamte gebracht over het huis van de koning Nabuchodonosors, want ziet, Holofernes ligt ter aarde, en zijn hoofd is niet op hem.

16Als nu de oversten van het leger van de Assyriërs deze woorden hoorden, zo scheurden zij hun kleren, en hun ziel werd zeer beroerd.

17En hun geschrei en geroep werd groot in het midden van het leger.